103355 | VANNIEUWENHUYSE

Cass.,27 maart 1995, 2e K.

Arr.Cass., 1995, (deel 5), 352-354

Art. 35 KB 03.08.1976 houdende algemeen reglement voor het lozen van afvalwater in de gewone oppervlaktewateren, in de openbare riolen en in de kunstmatige afvoerwegen voor regenwater, met de daarin bepaalde termijn van 40 maanden is de uitvoering van art. 44, par. 1, van wet 26.03.1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging.
De bepaling van voornoemd art. 35 is derhalve een overgangsbepaling, die krachtens het art. 43 van wet 1971.03.26, zoals vervangen bij art. 1 van wet 22.05.1979, ophield gevolg te hebben op 30.04.1982.
Naar recht verantwoord is de vaststelling dat de bevoegde overheid bij het verlenen van een lozingsvergunning voorwaarden oplegt in functie van de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging en dat het verlenen van een vergunning niet onwettig is doordat ingevolge andere wettelijke bepalingen, namelijk inzake stedebouw en onbevaarbare waterlopen, aan die voorwaarden niet zou kunnen voldaan worden, wat enkel gevolgen heeft voor de uitvoering van de verleende vergunning.
Art. 10 van KB 03.08.1976 houdende algemeen reglement voor het lozen van afvalwater in de gewone oppervlaktewateren, in de openbare riolen en in de kunstmatige afvoerwegen voor regenwater, machtigt de voor het verlenen van een lozingsvergunning bevoegde overheid in de lozingsvergunning bijzondere voorwaarden te bepalen die voortvloeien uit de plaatselijke omstandigheden en die aan bepaalde noodwendigheden beantwoorden.
Geen bepaling vereist dat de in aanmerking genomen plaatselijke omstandigheden expressis verbis in de lozingsvergunning zelf worden vermeld.