138448 | 08.09.1998 BVR wijz. BVR 21.12.1988 houdende organisatie van de arbeidsbemiddeling en beroepsopleiding

Vlaams min. van Leefmilieu en Tewerkstelling,KELCHTERMANS Theo

B.S., 30.09.1998,1e uitgave, V.168, (188), 31886-31888; B.S., 13.11.1998, V.168, (218), 36839, err.

Het opschrift van afdeling 2, hoofdstuk IV van het BVR 21.12.1988 houdende de organisatie van de arbeidsbemiddeling en de beroepsopleiding, opgeheven door het BVR 11.12.1991, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing:
Afdeling 2 - Werkervaringstegemoetkoming aan de werkgever in het loon en de begeleiding van moeilijk te plaatsen werkzoekenden.
Art. 63 tot en met 69 van hetzelfde besluit, opgeheven door het BVR 11.12.1991, worden opnieuw opgenomen. Het betreft de financiële tegemoetkoming in het loon van moeilijk te plaatsen werkzoekenden die worden in dienst genomen met een arbeidsovereenkomst en die, op maandbasis berekend, tewerkgesteld worden gedurende ten minste de helft van een voltijdse arbeidstijdregeling, kan toegekend worden gedurende ten minste de helft van een voltijdse arbeidstijdregeling, kan toegekend worden gedurende een periode van maximaal één jaar.
Voor de toepassing van art. 63 tot en met 68 worden volgende werkgevers uitgesloten:

  • - de Ministeries en de instellingen van openbaar nut die afhangen van de Federale overheid, de Gemeenschappen, of de Gewesten;
  • - de door de Gemeenschappen ingerichte, erkende of gesubsidieerde onderwijsinstelling;
  • - de Polders en Wateringen;
  • - de Kerkfabrieken;
  • - de instellingen van openbaar nut en de verenigingen zonder winstoogmerk, evenals de plaatselijke maatschappijen voor sociale woningen;
  • - de gemeenten, de verenigingen en agglomeraties en federaties van gemeenten, met uitzondering van diegene met een economische finaliteit, de aan de gemeenten ondergeschikte instellingen, de instellingen van openbaar nut die van deze verenigingen, agglomeraties en federaties van gemeenten afhangen, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de verenigingen van openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de provincies, de verenigingen van provincies en de aan de provincie ondergeschikte instellingen.