15368 | 20.03.1991 Dec. betr. het Investeringsfonds ter verdeling van de subsidies voor bepaalde onroerende investeringen die in de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest door of op initiatief van de provincies, de gemeenten of de Vlaamse Gemeenschapscommissie worden gedaan

Voorzitter van de Vlaamse Executieve,GEENS Gaston

B.S., 30.04.1991, V.161, (84), 9127-9131; De Gem., juni-juli 1991, V.66, (433), 313

Er wordt een Investeringsfonds ingesteld ter financiering van de toelagen van de Vlaamse Executieve op bepaalde onroerende investeringen die door de provincies of de gemeenten, voor hun eigen patrimonium of dat van hun bedrijven of, in hun opdracht, door een intercommunale vereniging worden gedaan.
Elk jaar wordt de dotatie van het Investeringsfonds uitgetrokken op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap. Deze jaarlijkse dotatie is gelijk aan de referentiedotatie, aangepast aan de evolutie van de kosten in het bouwbedrijf. Voor de verdeling van de trekkingsrechten tussen de gemeenten worden de hiernavolgende criteria toegepast (+ wegingscoëfficient):

  1. Het gemiddeld aantal inwoners van de gemeente, vastgesteld aan de hand van het aantal inwoners volgens de jongste publikatie van het aantal inwoners in het Belgisch Staatsblad en het hoogste aantal inwoners gedurende een periode van de 10 jaren voorafgaande aan die van de jongste publikatie; dat gemiddeld aantal wordt verhoogd met 10 %. indien de bevolkingsdichtheid van de gemeente in het jaar waarop het laatst gepubliceerde cijfer betrekking heeft, ten minste 2,5 gemiddelde van het Vlaamse Gewest bedraagt (45%)
  2. De oppervlakte van de gemeente in hectare (15 %)
  3. De gewogen lengte van de wegen in kilometer, samengesteld uit de lengte van de gemeentewegen van groot verkeer plus 0,8 maal de lengte van de andere verharde gemeentewegen plus 0,6 maal de lengte van de provincie- en gewestwegen (15 %)
  4. Het aantal woongelegenheden in de gemeente vermeerderd met 0,2 maal het aantal woningen opgericht tot 1945 (15 %)
  5. De centrumfunctie, bepaald door het aandeel waarop elke gemeente recht heeft uit hoofde van de verdeling van de kredieten van het Gemeentefonds, het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarop de verdeling van de trekkingsrechten van de Investeringsfonds betrekking heeft. Voor dit criterium komen enkel de gemeenten in aanmerking waarvan het aandeel uit het Gemeentefonds meer dan 100 miljoen frank bedraagt (5 %)
  6. Het gemiddelde tussen het hoogste en het recentste aantal regelmatig aanwezige leerlingen in het basisonderwijs en het secundair en hoger onderwijs, met volledig leerplan, de regelmatige leerlingen in het deeltijds kunstonderwijs, waarop op basis van het decreet betreffende het onderwijs-II het aantal uren-leraar wordt bepaald, en de regelmatige leerlingen in het onderwijs van sociale promotie, dat door de gemeente wordt ingericht en zulks over een periode van vijf schooljaren voorafgaande aan het jaar waarop de trekkingsrechten betrekking hebben. Bij het aantal leerlingen in het basisonderwijs wordt 1,6 maal het aantal leerlingen in het secundair onderwijs en het hoger onderwijs opgeteld evenals 0,25 maal het aantal leerlingen in het onderwijs voor sociale promotie en in het deeltijds kunstonderwijs (5 %).
Daarnaast bepaalt het decreet de gunningsprocedure die toegepast dient te worden onverminderd de wetgeving op de overheidsopdrachten.