157476 | n.v. H. / V.M.M.

Gent,4 maart 1999

T.Milieurecht, juli 1999, V.8, (3), 222-224

Voor grootgebruikers gebeurt de berekening van de vuilvracht op basis van de meet- en bemonsteringsresultaten (art. 35 quinquies, par. 1, van de Oppervlaktewaterenwet van 26.03.1971). Wanneer bepaalde parameters nodig voor het toepassen van de methode van de berekening van de vuilvracht op basis van meet- en bemonsteringsresultaten niet gemeten of gekend zijn of indien de meetgegevens onvoldoende voorhanden zijn, geldt de vereenvoudigde berekeningsmethode (art. 35 septies van voorgaande wet). Nu voor het betwiste aanslagjaar geen meet- en bemonsteringsresultaten beschikbaar zijn, is art. 35 septies dus toepasselijk. De eiseres verwijst tevergeefs naar de heffingen van andere heffingsjaren.
De Vlaamse Milieumaatschappij beschikt niet over een beleidsvrijheid, maar is gehouden door de wettelijke bepalingen. Precies uit dit legaliteitsbeginsel volgt dat noch de administratie, noch de rechter iets aan de fiscale wet kunnen toevoegen en er evenmin bepalingen uit kunnen verwijderen. Billijkheidsoverwegingen kunnen de fiscale wet niet temperen. De eiseres beroept zich dan ook ten onrechte op het redelijkheidsbeginsel.
In hoofde van de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) bestaat geen verplichting tot bemonsteren. De omstandigheid dat de VMM een aantal bedrijven bemonsterde is enkel een gevolg van haar controlerende functie. Nu geen verplichting tot bemonstering bestaat, kon dit geen verwachtingen creƫren in hoofde van de eiseres. Het vertrouwensbeginsel is dan ook niet geschonden.