163914 | 01.03.2000 V. nr. 123 (Vl. P.): Hydrocultuurbedrijven - Milieu
TIMMERMANS Jacques-D.
Vlaams Min. van Leefmilieu en Landbouw, DUA Vera

V. en A., Vl.P., 05.05.2000,1999-2000, (12), 1147-1149

nvdr: Het BVR 05.12.2003 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer (VLAREA) wordt op 01.06.2012 opgeheven en vervangen door het BVR 17.02.2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (VLAREMA) (zie doc. nr. 265350).

Wat hydrocultuur betreft en overeenkomstig de definitie van afvalwater volgens titel II van het Vlarem, moet het te verwijderen cultuurwater als afvalwater worden beschouwd, en meer bepaald als bedrijfsafvalwater.
Mits de vereiste melding, respectievelijk het verkrijgen van de voorgeschreven milieuvergunning, kan dit afvalwater worden geloosd zowel in de openbare riolering als in een oppervlaktewater. Vermits voor deze activiteit geen sectorale lozingsvoorwaarden bestaan, gelden de algemene lozingsvoorwaarden.
Voor de gevaarlijke stoffen (bv. de fytofarmaceutische producten) geldt dat ze niet mogen worden geloosd in concentraties boven de kwaliteitsdoelstellingen. Voor de stoffen waarvoor geen kwaliteitsdoelstellingen zijn vastgesteld, geldt het principe dat ze zonder vergunning niet mogen worden geloosd. Ten slotte moet worden gewezen op art. 4.2.2.1 van titel II van het Vlarem dat stelt dat in het oppervlaktewater geloosd cultuurwater geen stoffen mag bevatten die eutrofiëring van de ontvangende oppervlaktewateren kunnen veroorzaken.
Ingeval het cultuurwater niet ter plaatse wordt geloosd doch wordt afgevoerd, is de classificatie ervan als afvalwater of afvalstof van belang.
Een éénduidig standpunt hieromtrent is vooralsnog niet voorhanden.
Het drainwater dat via de percolatie wegloopt, kan ofwel worden geloosd (afvalwater), ofwel worden afgevoerd naar een vergunde inrichting (afvalstof), ofwel worden hergebruikt (water).
Bij lozing moet worden voldaan aan de lozingsvoorwaarden (zie Vlarem, rubriek). Bij afvoer van een vergunde verwerker van vloeibare afvalstoffen (zie Vlarem, rubriek 2) of een vergunde plaats (eventueel hydrocultuurbedrijf zelf) voor het indirect of direct lozen in grondwater (zie Vlarem, rubriek 52) moet worden voldaan aan de acceptatiecriteria van die vergunde inrichtingen.
Volgens het meststoffendecreet is elke één of meer stikstof- en fosforverbindingen bevattende stof die op het land wordt gebruikt ter bevordering van de gewasgroei en die noch dierlijke mest, noch chemische meststof is, te beschouwen als 'andere meststof'. Voor andere meststoffen gelden de besmettingsnormen en uitrijbepalingen van het meststoffendecreet van 23.01.1991.
In het geval het om een effluent van een afvalwaterzuiveringsinstallatie of een waterig residu (verschillend van behandeld slib) gaat, dan is het uitrijden ervan in het Vlaamse gewest ook verboden op basis van het art. 5.2.3 van het Vlarea.
Naast de afvalwetgeving moet er ook worden gewaakt over het al of niet ontduiken van de heffing op het lozen van afvalwater (Vlaamse Milieumaatschappij).

nvdr: Het decreet 23.01.1991 inzake bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen [ Mestdecreet ] is opgeheven door het decreet 22.12.2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (zie doc. nr. 215520) met uitzondering van:

  • art. 2, 49°, 50°, 51°, 52°, 53°, 54°, 56°, 57°, en de art. 15bis en 15ter;
  • art. 33ter en haar bestaande reglementaire uitvoeringsbepalingen, die worden opgeheven vanaf 31.12.2007.

nvdr: Het decreet 23.01.1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen werd opgeheven op 01.01.2015 door het decreet 12.06.2015 tot wijziging van het decreet 22.12.2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (zie doc. nr. 293617).