170304 | O.M. / L.M., n.v. D.C.

Gent, 14 januari 2000, 10e K.

T.Milieurecht, april 2001, V.10, (2), 194-195

Art. 41, par. 1, 1°, van de Oppervlaktewaterenwet van 26.03.1971 stelt strafbaar ondermeer hij die met overtreding van art. 2 in de wettelijk beschermde wateren vloeistoffen met schadelijke stoffen of zelfstandigheden loost.
Noch deze strafbepaling noch art. 2 van de voormelde wet, dat verbiedt ondermeer verontreinigde of verontreinigende vloeistoffen in de bedoelde wateren te lozen, vereisen een waarneembare verslechtering van de bestaande toestand van dit water als voorwaarde van strafbaarstelling. De precisering door art. 2 van de verontreinigde of verontreinigende hoedanigheid van de geloosde vloeistoffen beoogt slechts de lozing van zuiver water niet te verbieden. Met 'vloeistoffen met schadelijke stoffen of zelfstandigheden' worden in art. 41, par. 1, 1° deze stoffen bedoeld die verontreiniging veroorzaken in de zin van art. 1, vierde lid, van de wet.
Luidens deze bepaling wordt onder verontreiniging verstaan: 'elke rechtstreekse of zijdelingse uit menselijke activiteiten voortvloeiende inbreng van stoffen die de samenstelling of de toestand van het water kan veranderen, derwijze dat het niet meer geschikt of minder geschikt is voor het gebruik dat ervan moet kunnen worden gemaakt, of dat het milieu door de uitwasemingen van het water wordt bedorven'.
Aldus is de verontreiniging de door een menselijke activiteit veroorzaakte inbreng van zelfs op zich onschadelijke stoffen, die tot een verlies aan bruikbaarheid van het water of tot milieubederf kan leiden.
Het in art. 41, par. 1, 1° van de wet bepaalde misdrijf bestaat zodra de verboden handeling met het hieraan verbonden gevaar voor verlies aan bruikbaarheid van het water of voor milieubederf wordt vastgesteld.
Voor de strafbaarheid is noch een aantoonbare aanwezigheid van de stoffen in het beschermde water noch een aantoonbare schade vereist.