171786 | Vlaamse milieumaatschappij / Lano n.v.

Cass., 7 april 2000, 1e K.

Arr.Cass., 2000, (4), 724-726; Fiscale Jurisprudentie, juli 2001, V.20, (7), 609-610

Krachtens de toen toepasselijke lezing van art. 32undecies van de wet 26.03.1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, wordt de bijdrage, die krachtens dat art. 32 door de ondernemingen verschuldigd is, berekend naar rata van de in inwoner-equivalent (IE) uitgedrukte verontreinigende belasting van de afvalwaters, die de ondernemingen in het jaar voorafgaand aan het aanslagjaar in de riool waarop zij zijn aangesloten hebben geloosd.
Het aantal IE-eenheden wordt vastgesteld op grond van een formule waarin de factor Q het gemiddelde debiet is, uitgedrukt in liter, van het afvalwater dat door de ondernemeing, instelling of inrichting wordt geloosd in een etmaal tijdens de maand van de grootste bedrijvigheid van het jaar en waarin verder rekening wordt gehouden met de samenstelling van het afvalwater. De vervuiling in een etmaal tijdens de maand van de grootste bedrijvigheid is zodoende de grondslag voor de berekening van de vervuiling voor 225 dagen bedrijvigheid.
De eiseres (nv) voerde voor de appèlrechters aan dat de metingen moesten worden gedaan tijdens de maand van de grootste bedrijvigheid. De appèlrechters oordelen evenwel dat in de maand december 1989, maand tijdens welke metingen werden uitgevoerd, er een abnormale en ongewone productie was. Zij leggen een herberekening op van de heffing op jaarbasis op grond van de helft van de resultaten van de metingen gedaan tijdens de periode van 05.12.1989 tot 08.12.1989, teneinde niet af te wijken van de resultaten bereikt in de voorgaande jaren. Zij miskennen aldus de regel dat de vervuiling moet berekend worden op grond van de maand van de grootste bedrijvigheid.