177881 | O.M. / B.H. en n.v. B.B.

Corr. Gent, 25 september 2001, 21e K.

T.Milieurecht, april 2002, V.11, (2), 195-196

Het karakter van afvalstof wordt bepaald door het al dan niet hebben of vinden door de producent van een legale aanwending van de stof als produkt of als grondstof.

Kiezeltjes, keien en zand die terechtkomen in een afwateringsgracht in plaats van opgenomen te worden in het betonproduktieproces zijn afvalstoffen.
De wijze waarop deze stoffen in het milieu terechtkomen is niet relevant. Evenmin is het van belang dat deze stoffen voor economisch hergebruik, na recuperatie, in aanmerking komen.
De beklaagden kunnen niet gevolgd worden waar zij voorhouden voor een overmachtstoestand te zijn geplaatst. Zolang het terreinwater ontoereikend wordt gezuiverd, vooraleer het in de omgeving en meer bepaald de afvalwateringsgracht wegvloeit, zal deze gracht voortdurend worden verontreinigd en dichtslibben.

Er is geen wetenschappelijk onderzoek vereist om uit te maken of zich al dan niet betonslib bevindt onder de afvalstoffen in de afwateringsgracht terechtgekomen. Het komt de rechtbank voor dat op het eerste zicht het onderscheid kan gemaakt worden tussen zand, keien en betonslib. De aanwezigheid van betonslib staat in casu vast.

Het feit dat een nabijgelegen waterzuiveringsinstallatie niet naar behoren functioneert, en daardoor het betonproducerend bedrijf van de beklaagden belast, ontneemt de feiten hun strafbaar karakter niet.