182791 | x

Hof van Justitie, 14 maart 2002, nr. C-161/00

T.Milieurecht, november 2002, V.11, (5), 445-448

De lidstaten moeten de kwetsbare zones aanwijzen, de goede landbouwpraktijken bevorderen en actieprogramma's op stellen en uitvoeren om de waterverontreiniging door stikstofverbinding in de kwetsbare zones te verminderen.

De richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12.12.1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen heeft tot doel de waterverontreiniging die wordt veroorzaakt of teweeggebracht door nitraten uit agrarische bronnen te verminderen, en verdere verontreiniging van dien aard te voorkomen.

Uit de bewoordingen van de richtlijn blijkt niet uitdrukkelijk, op welk moment het nitraatgehalte van op of in de bodem te brengen dierlijke mest moet worden berekend teneinde ervoor te zorgen dat de jaarlijks aan de grond toe te voegen maximumhoeveelheid stikstof wordt geƫerbiedigd.

Die programma's moeten maatregelen omvatten om het op of in de bodem brengen van alle stikstof bevattende meststoffen te beperken en om in het bijzonder specifieke grenswaarden voor het opbrengen van dierlijke mest vast te stellen.

De richtlijn stelt voor het beperken van de nitraten uit agrarische bronnen veroorzaakte verontreiniging als bepalend criterium voorop de hoeveelheid stikstof die aan de bodem wordt toegevoegd door verspreiding op het bodemoppervlak, injectie in de bodem, of onderwerken of vermenging met de oppervlaktelagen, en niet de hoeveelheid stikstof die werkelijk in de bodem dringt.

De in de richtlijn vervatte regeling betreffende de maximumhoeveelheden voor toevoer van stikstof en stikstofverbindingen staat niet in rechtstreeks verband met de berekening van de meststofbehoeften van de gewassen.

De Duitse reglementering, die een ander criterium voorschrijft voor de berekening van de maximumhoeveelheid jaarlijks per hectare op of in de bodem te brengen dierlijke mest, voldoet niet aan de richtlijn.