192381 | De prejudiciële vraag over de art. 4, 5 en 7 van de wet 23.03.1999 betr. de rechterlijke inrichting in fiscale zaken

Arbitragehof, 17 december 2003, arrest nr. 168/2003

B.S., 20.02.2004,2e édition, V.174, (65), 10275-10277; R.W., 17.04.2004, V.67, (33), 1294-1296

Het verschil in behandeling dat bestaat tussen de belastingplichtigen bedoeld door het Wetboek van de inkomstenbelastingen en diegenen die de heffing ter bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging verschuldigd zijn, doordat de eerstgenoemden zich onverminderd in hun taal tot de rechtbank zouden kunnen wenden en de laatstgenoemden niet, is het gevolg van de toepassing van de objectieve criteria die de territoriale bevoegdheid van de rechtbanken bepalen en is niet ongrondwettelijk.

nvdr: De beslissing om aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag te stellen schort de procedure en de termijnen van procedure en verjaring op vanaf de datum van die beslissing tot de datum waarop het arrest van het Arbitragehof ter kennis wordt gebracht van het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld.