224823 | 03.06.1957 Wet betr. de polders

Min. van Landbouw,LEFEBVRE R.

B.S., 21.06.1957, V.127, (172), 4403-4416

Deze wet stelt een juridisch regime voor de polders vast dat uit de werking van de organen van de polders, de vestiging en de invoering van de polderbelasting, de uitvoering van de bepaalde werken en de toezichtsmaatregelen bestaat.

Polders zijn openbare besturen, ingesteld met het oog op de instandhouding, drooglegging en bevloeiing van de ingedijkte gronden die op de zee en op de aan het getij onderhevige waterlopen zijn vervoerd.

De Koning bakent de polderszones alsook het gebied van elke polder af. Hij kan polders opheffen of oprichten, de bestaande gebieden splitsen of wijzigen verscheidene polders samensmelten of bevelen dat zij een vereniging vormen met het oog op hun gemeenschappelijke verdediging of voor de uitvoering van werken waarbij zij gemeenschappelijk belang hebben. De beslissing van de Koning wordt van een onderzoek voorafgegaan dat wordt ingesteld door de bestendige deputatie.

Een ingestelde polder bestaat uit een algemene vergadering en een bestuur. De algemene vergadering wordt uit de stemgerechtigde ingelanden samengesteld. Deze laatsten zijn de titularissen van zakelijke rechten waaraan genot van de in het gebied van de polder gelegen erven verbonden is. Ook maken de gouverneur van de provincie en de burgemeesters der gemeenten waarover het gebied van de polder zich uitstrekt van rechtswege maar zonder medebeslissende stem deel uit van de algemene vergadering. De wet kent aan deze vergadering een reeks bevoegdheden toe, met name het opmaken van het huishoudelijk reglement, het opmaken van bijzondere politiereglementen, de beslissingen betreffende het aanleggen en het verbeteren van de verdedigings-, drooglegging- of bevloeiingswerken en van de wegen en het opmaken van de begroting van de polder.

Het bestuur wordt samengesteld uit een dijkgraaf, een adjunct-dijkgraaf en gezworenen wier aantal bepaald wordt door het reglement van de polder. Ze wordt door een ontvanger-griffier bijgestaan. Dit orgaan wordt belast onder andere met de voorbereiding van de werkzaamheden van de algemene vergadering, de uitvoering van haar beslissing, het dagelijks beheer en toezicht op de belangen van de polder en het bezoek van de gehele polder elk jaar. Bij grote stormvloed en ingeval van gevaar van overstroming begeven de bestuursleden zich naar de bedreigde plaatsen en treffen er de nodige maatregelen zich evenwel schikkend naar de onderrichtingen van de ambtenaren van het Bestuur van Bruggen en Wegen. Het bestuur is bevoegd om de wachters en sluiswachters te benoemen, te schorsen, uit hun ambt te ontzetten. Deze laatsten maken de processen-verbaal in geval van inbreuk op de wet, op ter uitvoering daarvan genomen besluiten en op het politiereglement van de watering op.

Indien zou blijken dat het onderhoud of de instandhouding van verdedigingswerken niet is verwezenlijkt moet de algemene vergadering, binnen een bepaalde termijn die werken uitvoeren. Als dit niet geval is kan de bestendige deputatie de nodige maatregelen in naam en voor de rekening van de polder of ambsthalve bevelen de uitvoering van de werken.
De bestendige deputatie kan ook, zo nodig, het herstellen van zaken in het vorige staat bevelen wanneer een polder een werk zonder de vereiste vergunningen heeft uitgevoerd of wanneer het werk schadelijk voor het algemeen, provinciaal en gemeentelijk belang of voor het belang van een polder of watering lijkt. Een beroep kan bij de Koning worden ingesteld.

Een belasting ten bate van de polder kan op alle erven binnen het poldergebied worden geheven. De invoering van de belasting, de intresten en van de kosten wordt verjaard na twee jaar te rekenen van de 1ste januari die volgt op het jaar waarin de belasing moet worden betaald.

Indien er een gevaar van de doorbraak of een overloop van de dijk is, kan de burgemeester van de betrokken gemeente al de bewoners van 18 jaar en ouder opvorderen om aan de verdedigingswerken deel te nemen. De weigering van gehoorzaamheid aan deze oproep van de burgemeester maakt het voorwerp uit van strafsancties.

Worden opgeheven:

  • De art. 5 tot 12 en 29 tot 42 van het keizerlijk decreet 11.01.1811 houdende reglement op het bestuur en het onderhoud van de polders;
  • Het keizerlijk decreet 28.12.1811 houdende van algemeen bestuur voor de polders van het Scheldedepartement;
  • Het KB 21.03.1818 houdende bepalingen betreffende het bestuur van en het toezicht op de verdedigingswerken langs de zee en de rivieren, en waarbij dit toezicht gesteld wordt in de bevoegdheden van de Waterstaat;
  • Het KB 22.05.1819 betreffende het bestuur van en het toezicht op de verdedigingswerken tegen het water van de zee en van de rivieren;
  • Het KB 17.12.1819 waarbij het bestuur van de Openbare Werken opnieuw aan de provinciën wordt opgedragen, voor zover het op de polders betrekking heeft ;
  • Het KB 23.08.1831 betreffende de benoeming van de bestuursleden van de polders;
  • Wet 05.05.1898 betreffende het beheer der polders;
  • Het KB 12.03.1934 tot wijziging van art. 20 van voornoemd keizerlijk decreet 28.12.1811;
  • Art. 19 van de wet 15.03.1950 tot wijziging van de wetgeving betr. de onbevaarbare waterlopen, wat de polders betreft;

Op de datum van inwerkingtreding van het algemeen politiereglement worden opgeheven:

  • Het keizerlijk decreet 16.12.1811 houdende het politiereglement van de polders in de departementen van de Schelde, van de Scheldemondingen, van de Leie en van de twee Netes;
  • Het KB 19.08.1823 houdende bepalingen betreffende de wijze om vervolgingen in te stellen tegen degenen die diefstallen van materialen ten gerieve van de dijken plegen;
  • Art. 138, 5° Wetboek van strafvordering, gewijzigd bij het KB n° 252 van 08.03.1936.

nvdr: voor het Vlaamse Gewest: Art. 81 tot 84 en 88 van de wet 03.06.1957 worden opgeheven door het dec. 23.03.2012 tot wijziging de wet 05.07.1956 betreffende de wateringen, van de wet 03.06.1957 betreffende de polders, van de wet 28.12.1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen, wat betreft de integratie van toestemmingen en machtigingen in de stedenbouwkundige vergunningverlening en wijz. dec. 08.05.2009 houdende vaststelling en realisatie van de rooilijnen, wat betreft de regeling betreffende de achteruitbouwstrook en de nog niet gerealiseerde rooilijn (zie doc. nr. 264881).