224825 | 05.07.1956 Wet betr. de wateringen

Min. van Landbouw,LEFEBVRE R.

B.S., 05.08.1956, V.126,218,5205-5217

Deze wet stelt een juridisch regime voor de wateringen vast. Ze regelt de organisatie en de werking van de organen van de wateringen. Ze voorziet het vestigen en de invoering van een belasting in het voordeel van de wateringen en de uitvoering van de bepaalde werken. Toezichtsmaatregelen worden ook voor de nodige onderhouds- en veiligheidswerken vermeld.

De wateringen zijn openbare besturen, buiten de polderzones ingesteld met het oog op het tot stand brengen en handhaven, binnen de grenzen van hun territoriaal gebied, van een voor landbouw en hygiƫne gunstige bewatering, en met het oog op de beveiling van de grond tegen watersnood.

De koning kan wateringen opheffen of oprichten, de bestaande gebieden splitsen of wijzigen, verscheidene wateringen samensmelten of bevelen dat zij een vereniging vormen met het oog op hun gemeenschappelijke verdediging of voor de uitvoering van werken waarbij zij gemeenschappelijk belang hebben. De beslissing van de Koning wordt door een onderzoek voorafgegaan dat wordt ingesteld door de bestendige deputatie.

Een ingestelde watering bestaat uit een algemene vergadering en een bestuur. De algemene vergadering wordt uit de stemgerechtigde ingelanden samengesteld. Deze laatsten zijn de titularissen van zakelijke rechten waaraan genot van de in het gebied van de watering gelegen erven verbonden is. Ook maken de gouverneur van de provincie en de burgemeesters der gemeenten waarover het gebied van de watering zich uitstrekt van rechtswege maar zonder medebeslissende stem deel uit van de algemene vergadering. De wet kent aan deze vergadering een reeks bevoegdheden toe met name het opmaken van het huishoudelijk reglement, het opmaken van bijzondere politiereglementen, de beslissingen betreffende het aanleggen en het verbeteren van de verdedigings-, drooglegging- of bevloeiingswerken en van de wegen en het opmaken van de begroting van de watering.

Het bestuur bestaat uit een voortzitter, een ondervoortzitter en beheerders, wiens aantal bepaald wordt door het reglement. Het bestuur wordt bijgestaan door een ontvanger-griffier. Het wordt belast onder andere met het voorbereiden van de werkzaamheden van de algemene vergadering, het uitvoeren van de beslissingen en het dagelijks beheer en het toezicht op de belangen van de watering. Het is gehouden de stand van onderhoud en bewaring van de verdedigings-, van de droogleggings- en van de beveilingswerken grondig te onderzoeken. Indien uit het onderzoek blijkt dat de noodzakelijke werken niet worden verwezenlijkt moet de algemene vergadering binnen een bepaalde termijn die werken uitvoeren. In het tegenovergestelde geval kan de bestendige deputatie de nodige maatregelen nemen in naam en voor de rekening van de watering of ambtshalve de uitvoering van de werken bevelen. Het bestuur is bevoegd om de wachters en sluiswachters te benoemen, te schorsen of uit hun ambt te ontzetten. Deze laatsten maken de processen-verbaal in geval van inbreuk op de wet, op ter uitvoering daarvan genomen besluiten en op het politiereglement van de watering op.

De wet voorziet ook de voorwaarden van het vestigen en de invordering van de belasting ten behoeve van de watering. De invordering van de belastingen, intresten en kosten verjaard na twee jaar te rekenen van de 1ste januari die volgt op het jaar waarin de belasting moet worden betaald.

Worden opgeheven:

  • Art. 4 van de wet 18.06.1846 waarbij de regering gemachtigd wordt een kanaal te openen van Deinze naar Schipdonk en andere werken uit te voeren met het oog op de verbetering van het regime der Schelde- en Leievalleien;
  • Het KB 09.12.1847 betreffende het beheer van de wateringen;
  • Het KB 05.08.1861 houdende aanvullende reglementaire bepalingen voor de verenigingen van wateringen;
  • Het KB 17.10.1878 betreffende de eedaflegging van de dwangbeveldragers van de wateringen;
  • Art. 22 van de wet 07.10.1878 houdende het Veldwetboek;
  • Het KB 06.06.1932 tot wijziging van het algemeen reglement betreffende de wateringen.

nvdr: voor het Vlaamse Gewest: Art. 81 tot 84 en 88 van de wet 05.07.1956 worden op 30.04.2012 opgeheven door het dec. 23.03.2012 tot wijziging de wet 05.07.1956 betreffende de wateringen, van de wet 03.06.1957 betreffende de polders, van de wet 28.12.1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen, wat betreft de integratie van toestemmingen en machtigingen in de stedenbouwkundige vergunningverlening en wijz. dec. 08.05.2009 houdende vaststelling en realisatie van de rooilijnen, wat betreft de regeling betreffende de achteruitbouwstrook en de nog niet gerealiseerde rooilijn (zie doc. nr. 264881).