246823 | VAN VYNCKT Patrick en CLEYMAET Victor / Gemeente Nevele en deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen

R.v.St., 22 februari 2010, 10e K., nr. 201136

De motiveringsverplichting inzake de watertoets ligt uitdrukkelijk bij de goedkeurende overheid (art. 8, par. 1 en 2 decreet 18.07.2003 betreffende het integraal waterbeleid). De omstandigheid dat het vaststellingsbesluit van de gemeenteraad gebeurlijk dienaangaande geen of een niet afdoende motivering bevat, vitieert het bestreden plan derhalve niet.

Het feit dat overeenkomstig art. 35, par. 1, DRO (nvdr: art. 2.1.18 VCRO) een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan om de vijf jaar moet worden herzien, brengt, zoals de gemeente terecht opwerpt, niet met zich mee dat na het verstrijken van die periode van vijf jaar een juridisch vacuüm ontstaat. Overeenkomstig dezelfde bepaling blijft het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan immers 'in ieder geval van kracht totdat het door een nieuw goedgekeurd gemeentelijk ruimtelijk structuurplan is vervangen' en blijft derhalve ook de plicht bestaan om het structuurplan uit te voeren door middel van de opmaak van ruimtelijke uitvoeringsplannen.

Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de beleidskeuze voor de aanleg van een nieuwe verbindingsweg reeds werd genomen in het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan en dat het bestreden gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan daaraan slechts uitvoering geeft. De Raad van State is niet bevoegd zijn beoordeling over de opportuniteit van de beleidskeuze in de plaats te stellen van die van de bevoegde instanties en beschikt ter zake slechts over een marginale toetsingsbevoegdheid.

De aanpassing van een ontwerpplan aan bemerkingen geformuleerd tijdens de plenaire vergadering brengt niet met zich mee dat de opmaakprocedure moet worden overgedaan.

Krachtens de art. 2 en 3 van de wet 29.07.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen dienen eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, uitdrukkelijk te worden gemotiveerd door in de akte de juridische en feitelijke overwegingen te vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Een ruimtelijk uitvoeringsplan heeft een verordenend karakter en is derhalve geen bestuurshandeling in de zin van de voormelde bepalingen.

nvdr: De Vlaamse Regering wordt belast met de coördinatie van de bepalingen van het decreet 18.05.1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (DRO) (doc. nr. 152627). De coördinatie krijgt het opschrift 'Vlaamse codex ruimtelijke ordening' en treedt in werking op 01.09.2009 (zie doc. nr. 240386).
Voor de concordantietabel klik hier
Voor de lijst met de niet in de Codex opgenomen, voorbijgestreefde bepalingen: klik hier