255277 | LEQUIME Thierry en IWEINS de WAVRANS Annik / Gemeente Huldenberg en Vlaamse Gewest

R.v.St., 4 november 2010, 10e K., nr. 208664

Anders dan de gemeente en het Gewest voorhouden, volgt uit het opleggen van de voorwaarde om een regenwaterput met pompinstallatie aan te leggen, om het water uit deze put te gebruiken en om zich te schikken naar de provinciale en gewestelijke stedenbouwkundige verordeningen over het hemelwater nog niet dat het bestreden besluit een formele motivering bevat waaruit blijkt dat de watertoets is uitgevoerd.

Een beslissing waarbij een stedenbouwkundige vergunning wordt verleend dient een formele motivering te bevatten waaruit blijkt dat de in art. 8, par. 1, DIWB bedoelde watertoets is uitgevoerd. Uit die motivering moet meer bepaald blijken, hetzij dat uit het voorwerp van de vergunning geen schadelijke effecten kunnen ontstaan als bedoeld in art. 3, par. 2, 17°, DIWB, hetzij dat zulke effecten wel kunnen ontstaan, maar dat die door het opleggen van gepaste voorwaarden zoveel mogelijk worden beperkt of hersteld. Enkel met de formeel uitgedrukte motieven kan rekening worden gehouden.

Uit art. 3, par. 2, 17°, DIWB blijkt immers niet dat de watertoets beperkt zou zijn tot de aspecten waarop de voornoemde voorwaarde betrekking heeft. De voorwaarden in het bestreden besluit beogen bovendien niet meer dan het verzekeren van de naleving van de door de gewestelijke en provinciale stedenbouwkundige verordeningen opgelegde verplichtingen in verband met de afvoer van hemel- en afvalwater en zijn niet dienstig als bewijs dat een watertoets is doorgevoerd.

De stelling van de gemeente dat er door de gevraagde werken 'quasi geen bijkomende oppervlakte van enige omvang' wordt bijgebouwd en dat om die reden het advies van de afdeling Water niet diende te worden gevraagd, kan niet worden bijgetreden. De watertoets beoogt immers te waarborgen dat geen schadelijk effect ontstaat, dat het zoveel mogelijk wordt beperkt, hersteld of gecompenseerd. Dat er geen schadelijk effect zou zijn, moet juist blijken uit de watertoets.

De beantwoording van een bezwaar over de schending van art. 100, par. 1, DRO (thans art. 4.2.8 VCRO) houdt, anders dan de gemeente voorhoudt, geen beoordeling in van de waterproblematiek in de zin van het decreet integraal waterbeleid. Hieruit volgt dat het bestreden besluit geen formeel uitgedrukte motieven bevat aangaande de waterproblematiek en derhalve strijdt met de bepalingen van art. 8, par. 1 en 2, DIWB.