255282 | VANDENDOORENT Roger en GREGOIR Sandra / Gemeente Gooik en Vlaamse Gewest

R.v.St., 6 oktober 2010, 10e K., nr. 207946

Een beslissing waarbij een vergunning wordt verleend, dient een formele motivering te bevatten waaruit blijkt dat de watertoets is uitgevoerd. Uit die motivering moet meer bepaald blijken, hetzij dat uit het voorwerp van de vergunning geen schadelijke effecten kunnen ontstaan, hetzij dat zulke effecten wel kunnen ontstaan, maar dat ze door het opleggen van gepaste voorwaarden zoveel mogelijk worden beperkt of hersteld. Vermits die toets ook geldt voor verkavelingsvergunningen, kan hij niet worden uitgesteld tot de nadien te verlenen stedenbouwkundige vergunning.

Art. 8, par. 1, eerste lid van het decreet betreffende het integraal waterbeleid bepaalt onder meer dat de overheid die, zoals in deze zaak, over een vergunning moet beslissen, er zorg voor draagt, door het weigeren van de vergunning of door het opleggen van gepaste voorwaarden, dat geen schadelijk effect ontstaat of dat dit zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt hersteld of, in bepaalde gevallen, gecompenseerd.

De watertoets strekt met andere woorden tot het onderzoeken van het causaal verband tussen de gevraagde vergunning en de schadelijke effecten, te weten 'ieder betekenisvol nadelig effect op het milieu dat voortvloeit uit een verandering van de toestand van watersystemen of bestanddelen ervan die wordt teweeggebracht door een menselijke activiteit. Die effecten omvatten mede effecten op de gezondheid van de mens en de veiligheid van de vergunde of vergund geachte woningen en bedrijfsgebouwen, gelegen buiten overstromingsgebieden, op het duurzaam gebruik van water door de mens, op de fauna, de flora, de bodem, de lucht, het water, het klimaat, het landschap en het onroerend erfgoed, alsmede de samenhang tussen een of meer van deze elementen'.

In het eerste bestreden besluit is aangaande de watertoets geen motivering opgenomen.