256253 | DE PRETER Patrick / Vlaamse Gewest

R.v.St., 11 oktober 2010, 10e K., nr. 208036

Uit het BVR 20.07.2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstantie en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets en het decreet 18.07.2003 betreffende het integraal waterbeleid volgt dat de watertoets in de eerste plaats toekomt aan de overheid die over een vergunningsaanvraag moet beslissen. Op de aanvrager van een stedenbouwkundige vergunning rust geen bijkomende verplichting tot het uitvoeren van de watertoets.

De watertoets moet ervoor zorgen dat door het opleggen van gepaste voorwaarden geen schadelijk effect ontstaat of dit zoveel mogelijk wordt beperkt en indien dit niet mogelijk is, het schadelijk effect wordt hersteld of gecompenseerd. Hieruit kan niet worden afgeleid dat er op de aanvrager van een stedenbouwkundige vergunning een bijkomende verplichting rust tot het uitvoeren van de watertoets.

Het bestreden besluit bevat de volgende relevante motivering: 'dat de aanvraag geen compensatie omvat voor het verlies aan overstroomb(aar) gebied en het bufferend volume dat het gebied heeft op het voorkomen van overstromingen in de omgeving; dat de watertoets om die redenen negatief is'.

Hieruit kan enkel worden afgeleid dat de aanvraag werd geweigerd omdat ze geen compensatievoorstel bevatte, en dus niet omdat het schadelijk effect ervan niet kon worden voorkomen of beperkt, noch dat een compensatie onmogelijk was.