260792 | 23.12.2011 Dec. houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2012 - Oppervlaktewateren - Oppervlaktewaterheffing - (art. 53, 54, 55)

Min.-President van de Vlaamse regering en Vlaams minister van Economie, Buitenlands Beleid, Landbouw en Plattelandsbeleid,PEETERS Kris

B.S., 30.12.2011,4e uitgave, V.181, (387), 81690

Het komt geregeld voor dat de grondwatervergunning op naam staat van de verhuurder-eigenaar terwijl een huurder de grondwaterwinning exploiteert of het grondwater verbruikt. In dergelijke situaties wijzen beide partijen naar elkaar voor de naleving van de verplichtingen opgelegd in de hefffingswetgeving. Om een einde te maken aan deze discussies en elke twijfel hierover weg te nemen, wordt in art. 28ter, par. 3, van het decreet houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer duidelijk gesteld dat er twee mogelijke heffingsplichtigen zijn.

Dit zijn:

  1. de vergunninghouder of diegene die de melding heeft gedaan van de grondwaterwinning;
  2. elke andere natuurlijke of rechtspersoon die over de grondwaterwinning beschikt.
De gewijzigde tekst vermeldt uitdrukkelijk dat beide categorieën verantwoordelijk zijn voor de naleving van de bepalingen van de heffingswetgeving. Bij eventuele inbreuken kunnen zowel de in punt 1° als de in punt 2° vermelde personen worden beboet. De verduidelijking is noodzakelijk om een einde te maken aan de discussies hieromtrent zodat de opbrengsten van de heffingen kunnen worden gerealiseerd.

Art. 28quater, par. 3, bepaalt dat de grondwaterheffing niet lager kan zijn dan het minimumbedrag van 124 x index EUR. Deze bepaling leidt ertoe dat een minimumheffing wordt aangerekend tot en met opgepompte hoeveelheden van 2480 m³ per jaar. De hoge minimumheffing zet niet aan tot een spaarzaam gebruik van grondwater en wordt om die reden afgeschaft. De gederfde inkomsten worden gesolidariseerd over de heffingsplichtige volumes.

Aangezien de heffing op de waterverontreiniging en de grondwaterheffing samen worden gevestigd, worden de vormvereisten inzake het kohier en het heffingsbiljet in overeenstemming gebracht met het gewijzigde art. 35terdecies, par. 6, van de Oppervlaktewaterenwet.