260852 | DE WIN Gustaaf en DE BOECK Diane / Vlaamse Gewest

R.v.St., 28 maart 2011, 10e K., nr. 212266

De beslissing waarbij een stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van een sporthal moet een formele motivering bevatten waaruit blijkt dat de watertoets is uitgevoerd. Uit die motivering moet meer bepaald blijken, hetzij dat uit de werken waarvoor de vergunning wordt verleend geen schadelijke effecten kunnen ontstaan, hetzij dat zulke effecten wel kunnen ontstaan, maar dat die door het opleggen van gepaste voorwaarden zoveel mogelijk worden beperkt of hersteld.

In het bestreden besluit wordt erkend dat de uitvoering van de gevraagde stedenbouwkundige vergunning de natuurlijke waterhuishouding zal beïnvloeden. Er moet echter worden gemotiveerd waarom de bestreden stedenbouwkundige vergunning weliswaar de natuurlijke afvloeiing zal beïnvloeden, doch geen betekenisvol nadelig effect op het milieu in de zin van art. 8, par. 1 zoals gedefinieerd in art. 3, par. 1, 17° van het decreet integraal waterbeleid, zal teweegbrengen.

Niettemin beperkt het bestreden besluit zich ertoe de aanvragers van de stedenbouwkundige vergunning te verplichten de 'nodige voorzorgsmaatregelen (...) (te nemen) om mogelijke wateroverlast op eigendom van de aanpalenden bij herhaalde regenval te vermijden'. Een dergelijke vage en algemene voorwaarde volstaat niet om te voldoen aan verplichtingen van het decreet integraal waterbeleid.

De opgelegde voorwaarde mist de vereiste precisie en laat aan de begunstigde van de bestreden vergunning een appreciatieruimte in de uitvoering ervan, aangezien haar de keuze wordt gelaten wat betreft de voorzorgsmaatregelen die door haar moeten worden getroffen. Bijgevolg kan niet met zekerheid worden vastgesteld of het uitvoeren van de betrokken voorwaarde al dan niet vergunningsplichtige werken omvat, in welk geval het de aanvrager van de vergunning zou worden toegestaan de goedgekeurde bouwplannen te wijzigen, zonder daartoe over de vereiste stedenbouwkundige vergunningen te beschikken.