267268 | De prejudiciële vraag betr. de art. 35bis tot 35viciessemel van de wet 26.03.1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging

Grondwettelijk Hof, 28 juni 2012, arrest nr. 87/2012

B.S., 23.08.2012, V.182, (266), 49602-49604

De art. 35bis tot 35viciessemel van de wet 26.03.1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging schenden, wat de in art. 35quinquies bedoelde heffingsplichtigen betreft, de art. 10 en 11 van de Grondwet, niet in de interpretatie dat zij niet in de mogelijkheid voorzien aan de heffingsplichtigen een vrijstelling, geheel of gedeeltelijk, dan wel een vermindering van de heffing te verlenen wanneer water buiten elk productie- of verwerkingsproces in het milieu wordt ingebracht.

Art. 35bis, par. 1, bepaalt dat de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) belast is met de vestiging, de inning en de invordering van de heffing op de waterverontreiniging en met de controle op de naleving van de verplichtingen inzake de heffing. Par. 2 heeft betrekking op het heffingsjaar. De par. 3, 4, 5 en 6 bepalen wie al dan niet als heffingsplichtige moet worden beschouwd.

Afhankelijk van de situatie waarin de heffingsplichtige zich bevindt, voorziet de wet in verschillende formules om het aantal vervuilingseenheden te berekenen.

De verwijzende rechter vraagt het Hof of de in het geding zijnde bepalingen bestaanbaar zijn met de art. 10 en 11 van de Grondwet, in de interpretatie waarbij de heffing op de verontreiniging van het oppervlaktewater tevens wordt berekend op water dat buiten elk productie- of verwerkingsproces in het milieu wordt gebracht '(1) hetzij op grond van de vaststelling dat het water ongewijzigd en zonder de inbreng van enige stof of substantie opnieuw in het oppervlaktewater terecht komt', '(2) hetzij op grond van de vaststelling dat het water bij gebrek aan toevoeging van enige stof of substantie slechts een beperkte vervuiling tot stand brengt', '(3) hetzij op grond van de vaststelling dat het, al dan niet al naargelang de oorzaak van het waterverbruik, gaat om water dat buiten de wil van de heffingsplichtige wegvloeit', zonder dat de heffingsplichtige over een mogelijkheid beschikt om hetzij een vrijstelling te genieten, geheel of gedeeltelijk, hetzij een vermindering te verkrijgen.

In deze zaak wordt een grootverbruiker geviseerd, ten aanzien van wie door de VMM toepassing wordt gemaakt van art. 35septies van de wet 26.03.1971 voor het bepalen van de hoegrootheid van de heffing, te weten de omzettingscoëfficiënten, omdat geen of onvolledige meet- en bemonsteringsresultaten voorhanden zijn.

In de interpretatie van de verwijzende rechter verleent geen enkele bepaling aan de heffingsplichtige de mogelijkheid om een vrijstelling, geheel of gedeeltelijk, dan wel een vermindering van de heffing te verkrijgen wanneer water buiten elk productie- of verwerkingsproces in het milieu wordt gebracht.

Voor de grootverbruikers kan toepassing worden gemaakt van verschillende formules voor de berekening van de vervuilingseenheden. In principe gebeurt die berekening op basis van meet- en bemonsteringsresultaten van het door hen geloosde afvalwater. Derhalve wordt bij de berekening van de heffing in principe rekening gehouden met de mate waarin de heffingsplichtige aan de hinder bijdraagt. De omstandigheid dat bij het niet of niet volledig voorhanden zijn van de meet- en bemonsteringsresultaten, gebruik zal worden gemaakt van forfaitaire berekeningsformules, is niet van die aard dat aan de in het geding zijnde bepalingen hun redelijke verantwoording wordt ontnomen.

nvdr: De beslissing om aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen schort de procedure en de termijnen van procedure en verjaring op vanaf de datum van die beslissing tot de datum waarop het arrest van het Grondwettelijk Hof ter kennis wordt gebracht van het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld.