269571 | NOMARCHIAKI Aftodioikisi Aitoloakarnanias et crts / YPOURGOS Perivallontos, Chorotaxias kai Dimosion ergon et crts

Hof van Justitie EG, 11 september 2012, nr. C-43/10

De Habitatrichtlijn moet aldus worden uitgelegd dat de ter ondersteuning van een project voor het omleiden van water aangevoerde redenen die enerzijds verband houden met irrigatie en anderzijds met de drinkwatervoorziening, dwingende redenen van groot openbaar belang kunnen opleveren die de uitvoering van een project dat de natuurlijke kenmerken van de betrokken gebieden zal aantasten, kunnen rechtvaardigen. Wanneer een dergelijk project de natuurlijke kenmerken van een gebied van communautair belang met een prioritair type natuurlijke habitat en/of een prioritaire soort aantast, kan de uitvoering ervan in beginsel worden gerechtvaardigd om redenen die verband houden met de drinkwatervoorziening.

In bepaalde omstandigheden zou de uitvoering kunnen worden gerechtvaardigd door de wezenlijke gunstige effecten die irrigatie voor het milieu heeft. Irrigatie behoort echter in beginsel niet tot de overwegingen in verband met de menselijke gezondheid of de openbare veiligheid, die de uitvoering van een project als dat in het hoofdgeding zouden kunnen rechtvaardigen.

Bij het bepalen van adequate compenserende maatregelen moet rekening worden gehouden met de reikwijdte van de wateromleiding en de omvang van de daarmee gepaard gaande werkzaamheden.

Deze moet evenwel aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzet dat een project voor het omleiden van water dat niet direct verband houdt met of nodig is voor de instandhouding van een specialebeschermingszone, maar dat voor die specialebeschermingszone significante gevolgen kan hebben, wordt goedgekeurd wanneer gegevens met betrekking tot de vogelfauna in dat gebied ontbreken of niet betrouwbaar en geactualiseerd zijn.

Een project voor het gedeeltelijk omleiden van een rivier (zoals dat in het Kader van het geschil) is geen plan of programma dat valt onder richtlijn 2001/42 /EG van 27.06.2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's.

Richtlijn 2000/60 van 23.10.2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid moet aldus worden uitgelegd dat:
  • zij zich in beginsel niet verzet tegen een nationale bepaling die het vóór 22.12.2009 (datum voor het verstrijken van de termijn waarbinnen de lidstaten stroomgebiedbeheersplannen dienen te publiceren) mogelijk maakt om water uit een stroomgebied naar een ander stroomgebied of uit een stroomgebiedsdistrict naar een ander stroomgebiedsdistrict af te leiden wanneer de betrokken stroomgebiedbeheersplannen nog niet door de bevoegde nationale autoriteiten zijn vastgesteld;
  • het afleiden niet zodanig mag zijn dat de verwezenlijking van de door die richtlijn voorgeschreven doelstellingen ernstig in gevaar wordt gebracht;
  • het afleiden, wanneer het voor het water schadelijke gevolgen als bedoeld in Art. 4, lid 7, van die richtlijn kan hebben, toch kan worden goedgekeurd, althans mits is voldaan aan de voorwaarden sub a tot en met d van deze bepaling;
  • ook zonder dat sprake is van de omstandigheid dat de eigen watervoorraden van het ontvangende stroomgebied of stroomgebiedsdistrict niet volstaan om te voorzien in de behoeften ervan op het gebied van drinkwatervoorziening, energieopwekking of irrigatie, het afleiden van water met die richtlijn verenigbaar is indien aan de bovengenoemde voorwaarden is voldaan.

De omstandigheid dat het nationale parlement stroomgebiedbeheersplannen zoals die in het hoofdgeding, zonder enige voorlichting, raadpleging of inspraak van het publiek goedkeurt, valt niet onder art. 14 van richtlijn 2000/60.