28990 | 28.06.1985 Dec. betr. de milieuvergunning [Milieuvergunningsdecreet]

Gemeenschapsmin. van Ruimtelijke Ordening, Landinrichting en Natuurbehoud,AKKERMANS P.

B.S., 17.09.1985, V.155, (179), 13304-13309

Het decreet op de milieuvergunningen deelt de inrichtingen die hinderlijk geacht worden voor de mens en het leefmilieu in in 3 klassen (art. 3).
Niemand mag zonder voorafgaande en schriftelijke vergunning van de bevoegde overheid een als hinderlijk ingedeelde inrichting die behoort tot de 1e of de 2e klasse exploiteren of veranderen (art. 4).
Het college van burgemeester en schepenen beschikt in eerste aanleg, binnen een termijn van 3 maanden, bij een met reden omklede beslissing over vergunningsaanvragen van inrichtingen van de 2e klasse (art. 9). Zij is echter niet bevoegd voor aanvragen van inrichtingen van 2e klasse die behoren aan de Staat, de gemeenschap, een gewest, provincie of een door hen opgerichte instelling waarvoor de Vlaamse executieve bevoegd is (art. 9), of aan de gemeenten, verenigingen van gemeenten en OCMW's, waarvoor de bestendige deputatie bevoegd is.
Bovendien dient het college vooraleer te beschikken over een vergunningsaanvraag het advies in te winnen van de door de Vlaamse executieve aangeduide overheidsorganen (art. 12).
Het college is tevens bevoegd inzake vergunningsaanvragen voor een tijdelijke inrichting, ongeacht de klasse waartoe deze behoort (art. 15, art. 17).
Het college neemt tevens akte van de melding van de exploitatie of verandering van elke inrichting ingedeeld in de derde klasse. Het territoriaal bevoegde college is dat van de gemeente waar de percelen gelegen zijn waar de exploitatie of de verandering van de inrichting gebeurd of gepland is, zo dit zich uitstrekt over verschillende gemeenten, blijkt ieder college bevoegd voor de inrichtingen binnen zijn ambtsgebied (art. 6).
Bij het verlenen van de vergunning kan het college bijzondere voorwaarden opleggen met het oog op de bescherming van de mens en het leefmilieu (art. 20, 21, 36), ongeacht welke overheid zich over de vergunningsaanvraag dient uit te spreken is het college belast met de organisatie van de in dit decreet voorziene inspraakprocedure, met name het organiseren van het openbaar onderzoek dat principieel elke vergunningsaanvraag voorafgaat (art. 11).
Het college brengt advies uit t.o.v. de bestendige deputatie als vergunningverlenende overheid (art. 12, 13).
Tenslotte is het college bevoegd om beroep aan te tekenen bij de executieve tegen beslissingen genomen door de bestendige deputatie inzake een vergunningsaanvraag (art. 24, 26).
Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie, houden de burgemeester en de ambtenaren die de Vlaamse executieve aanwijst, toezicht op de toepassing van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten. De burgemeester zal er zich van gewissen of de in bedrijf gestelde inrichtingen vergund zijn. Hij zal waken over de naleving van de voor de inrichtingen van 2e en 3e klasse geldende exploitatievoorwaarden (art. 29).
De burgemeester kan ambtshalve de stopzetting bevelen van de activiteiten, de toestellen verzegelen en de onmiddellijke sluiting van de inrichting opleggen, wanneer hij vaststelt dat een vergunningsplichtige inrichting zonde r vergunning wordt geëxploiteerd (art. 31, par. 1).
Dit decreet wordt gewijzigd door de decreten van 07.02.1990 en 21.12.1990. Ze voegt tevens een art. 32sexies in de wet 26.03.1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren. Ze heft de art. 5, 6, 7, 36, 39, 41, par. 1, 2°, 41, par. 2 en 42 op voor het Vlaams gewest en wijzigt de art. 2, 10, par. 1, 2° en art. 32ter, 2°.

De wet 05.05.1888 betreffende het toezicht op de gevaarlijke, ongezonde of hinderlijke inrichtingen wordt opgeheven, voor de aangelegenheden geregeld in dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten (art. 42).

nvdr: art. 7 van dit decreet wordt opgeheven door het decreet 18.12.2002 tot aanvulling van het dec. 05.04.1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel betreffende de milieueffect- en veiligheidsrapportage (zie doc. nr. 182816).

nvdr: Voor het Vlaamse Gewest: De wet 22.07.1974 werd grotendeels opgeheven door het decreet 20.04.1994 tot wijziging het decreet 02.07.1981 betreffende het beheer van afvalstoffen (zie doc. nr. 68067). Alleen de art. 1 en 7 van die wet bleven nog behouden. Deze bepalingen worden nu ook op 01.06.2012 opgeheven door het decreet 23.12.2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen [ Materialendecreet ] (zie doc. nr. 260990).

nvdr: Het Milieuvergunningsdecreet wordt op 23.02.2017 opgeheven door het Omgevingsvergunningsdecreet (zie doc. nr. 279624).