299764 | Bund für Umwelt und Naturschutz Deutschland eV / Bundesrepublik Deutschland

Hof van Justitie EG, 1 juli 2015, nr. C-461/13, Grote Kamer

De lidstaten moeten, behalve als een afwijking wordt toegestaan op basis van art. 4, lid 7, van de richtlijn 2000/60, hun goedkeuring voor een project weigeren wanneer dat project een achteruitgang van de toestand van een oppervlaktewaterlichaam kan teweegbrengen. Ze moeten het eveneens weigeren als het bereiken van een goede toestand van het oppervlaktewater of een goed ecologisch potentieel en een goede chemische toestand van dat water in gevaar gebracht wordt.

Iedere achteruitgang van de toestand van een waterlichaam moet worden voorkomen, ongeacht de planning op langere termijn volgens de beheersplannen en maatregelenprogramma’s. De verplichting om achteruitgang van de toestand van oppervlaktewaterlichamen te voorkomen blijft dwingend in ieder stadium van de tenuitvoerlegging van richtlijn 2000/60 en is van toepassing op ieder type en iedere toestand van een waterlichaam waarvoor een beheersplan is vastgesteld of had moeten worden vastgesteld.

Er is sprake van 'achteruitgang van de toestand' van een oppervlaktewaterlichaam (art. 4, lid 1, onder a), i), van richtlijn 2000/60) zodra de toestand van ten minste een van de kwaliteitselementen als bedoeld in bijlage V bij die richtlijn een klasse achteruitgaat, zelfs als die achteruitgang niet tot gevolg heeft dat het oppervlaktewaterlichaam in het algemeen wordt ingedeeld in een lagere klasse. Indien het betreffende kwaliteitselement zich reeds in de laagste klasse bevindt, vormt iedere achteruitgang van dat element evenwel een achteruitgang van de toestand.