303260 | College van burgemeester en schepenen van de gemeente Boechout en crts / Deputatie van de provincieraad van Antwerpen

R.v.Vergunningsbetwistingen, 5 augustus 2014, 2e K., nr. A/2014/0526

De overheid heeft voldoende gemotiveerd waarom zij de verkaveling van een hoeve die is opgenomen in de inventaris van het bouwkundig erfgoed, en die niet is gelegen in overstromingsgevoelig gebied, toestaat om later plaats te maken voor nieuwe woningen.

De overheid heeft in redelijkheid gemotiveerd waarom zij het advies van het agentschap Ruimte en Erfgoed niet volgt, rekening houdende met de financiële meerkost van de renovatie en het verlies van authenticiteit. Ook de watertoets is terecht beperkt gebleven aangezien het slechts gaat over een verkavelingsvergunning en niet de effectieve stedenbouwkundige vergunning. Het argument dat de verkaveling niet inpasbaar is in de ruimtelijk ordening, wordt verworpen.

Inzake adviesverlening bij het slopen van gebouwen of constructies opgenomen in de inventaris van het bouwkundig erfgoed, stelt het art. 1, eerste lid, 1°, g, BVR 05.06.2009 dat enkel advies moet worden gevraagd aan het agentschap Ruimte en Erfgoed. De overheid heeft de afweging gemaakt dat het herstel van de hoeve wel mogelijk is (zoals uit het advies blijkt) maar dat de financiële kostprijs te hoog is en de authenticiteit verloren zal gaan. Ook al steunt de overheid zich daarvoor op een studie van de bouwheer zelf, de overheid blijkt toch een eigen beoordeling te hebben gemaakt.

Art. 8, par. 1, DIWB stelt dat de overheid er zorg voor moet dragen dat het schadelijk effect in gevallen van de vermindering van de infiltratie van hemelwater of de vermindering van ruimte voor het watersysteem, wordt gecompenseerd. Doordat het slechts een verkavelingsvergunning betreft, die niet gelegen is in overstromingsgebied en die slechts maximale bebouwingsmogelijkheiden per lot kan weergeven, mocht de overheid stellen dat de effectieve beoordeling van de compensatie pas zal gebeuren in de stedenbouwkundige vergunning. Immers kan pas slechts indien er een concrete aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning plaatsvindt, ingeschat worden hoeveel m² precies worden verhard.

De overheid kon de watertoest aldus beperken tot het onderzoek of er bij de uitvoering van de verkaveling een mogelijk schadelijk effect zou ontstaan en te bepalen welk effect dit is, met name de vermindering van infiltratie van hemelwater. Aangezien de toename van de verharde oppervlakte onder de 0,1 hectare blijft, moest er geen wateradvies gevraagd worden.

Er wordt niet aangetoond dat de overheid de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede ruimtelijke niet zorgvuldig of afdoende heeft onderzocht.

nvdr: Dit arrest werd door De Maesschalck Sofie becommentarieerd in het tijdschrift TOO nr. 1/2016, p. 120-121, in het artikel 'Ouderdom komt met gebreken ook bij inventarisgebouwen'.