39035 | 25.06.1992 Dec. houdende diverse bepalingen tot begeleiding van de begroting 1992, Leefmilieu, Water, art. 44 tot 45

Min.-president van de Vlaamse regering,Vlaams min. van Economie, KMO, Wetenschapsbeleid, Energie en Externe Betrekkingen, VAN DEN BRANDE Luc

B.S., 11.07.1992, V.162, (135), 15898-15904; BZ 1992, Stuk.186/1-18, Handelingen 09,10,11,22 en 23.06.1992

Deze bepalingen hebben tot doel de heffingsmechanismen die door het decreet 21.12.1990 ingevoerd zijn geweest te verfijnen en te verbeteren (hoofdstuk IIIbis van de wet van 26.03.1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging wordt vervangen) :

  • zoals in het verleden het geval is geweest, strekt de heffingsplicht zich uit tot iedereen die in de loop van 1991 water heeft verbruikt en/of geloosd, ongeacht de herkomst van dat water
  • de vuilvracht van het afvalwater blijft zoals voorheen uitgedrukt in vervuilingseenheden; dit stemt overeen met de vroegere i.e.-formule (inwonersequivalenten) plus de zware metalen, plus stikstof en fosfoor
  • aan de wijze van berekening van de heffing is in essentie niets fundamenteels gewijzigd : zij wordt bepaald op basis van de vuilvrachten veroorzaakt in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar
  • voor de berekeningswijze van de vuilvracht is een grens vastgelegd van 500 m3 gefactureerd waterverbruik en/of bij een pompvermogen van 5 m3 per uur ingeval men beschikt over een eigen waterwinning
  • om het aantal vervuilingseenheden te bepalen, en daarmee ook het heffingsbedrag, worden voor de kleinverbruikers de verbruiksgegevens van de drinkwatermaatschappijen benut; voor de grootverbruikers zal in principe steeds worden gebruik gemaakt van analyses en enkel in het geval die niet of slechts gedeeltelijk voorhanden zijn, van omzettingscoĂ«fficienten (daarbij wordt gebruik gemaakt van een vereenvoudigde berekeningsmethode toegepast in functie van jaarlijkse produktiecijfers en van het jaarwaterverbruik)
  • bij de bepaling van het aantal vervuilingseenheden worden voor de grootverbruikers een aantal reductiefactoren toegepast:
  • voor seizoengebonden of niet continue activiteiten, voor bedrijven die lozen in een oppervlaktewater, voor bedrijven die oppervlaktewater opnemen voor hun produktieproces en dit nadien teruglozen in datzelfde oppervlaktewater
  • inzake de vestiging en de invordering van de heffing worden in het decreet uitvoerige bepalingen opgenomen m.b.t. de aangifte en de melding, het onderzoek en de controle, de bewijsmiddelen, de rechtzetting van de aangifte, de te volgen procedures bij de heffing van ambtswege en de heffing zelf en de administratieve geldboeten en bezwaarprocedures
  • het doorstorten van de opbrengst van de heffing naar het Fonds voor Preventie en Sanering wordt geregeld door het decreet van 23.01.1991 tot oprichting van het MINA-Fonds.