42582 | O.M. / L., D., D.D.L. en n.v. F.

Antwerpen,24 april 1992, 7e K.

T.Milieurecht, september-oktober 1992, V.1, (1), 17-20

Aan de nv P. wordt een lozingsvergunning afgeleverd door het Ministerie van Volksgezondheid en van het Gezin die onder andere de lozing verbiedt van de stoffen waarvoor geen beperkingen worden opgelegd en die vermeld zijn in lijst 1 en lijst 2 van de vergunning (toepassing van de wet van 26.03.1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren en het KB van 03.08.1976 houdende Algemeen Reglement voor het lozen van afvalwater). Deze lijsten zijn gelicht uit de bijlage III van het Algemeen Reglement en komen tevens voor in de Richtlijn van de EEG-raad van 04.05.1976 betr. de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de gemeenschap worden geloosd. -Uit het enkele feit dat benzeen niet voorkomt op lijst I kan niet zonder meer worden afgeleid dat benzeen deel uitmaakt van lijst II. Zolang geen grenswaarden voor de emissienormen vastgesteld zijn, noch kwaliteitsdoelstel- lingen zijn opgesteld kunnen substanties slechts effectief tot lijst II behoren in de mate dat ze een schadelijke werking hebben op het water, welke beperkt kan zijn tot een bepaald gebied afhankelijk van de kenmerken van de ontvangende wateren en de plaats ervan. Voor deze substanties dienen de lidstaten programma's op te stellen ter vermindering van de verontreiniging door benzeen, wat in de huidige stand van zaken op Europees niveau, noch op vlak van de vaststelling van grenswaarden of van kwaliteitsdoelstellingen overwegen wordt. -Wat de strafrechtelijke aansprakelijkheid betreft van de beklaagden wegens het lozen van afvalwater in strijd met de afgeleverde lozingsvergunning stelt het Hof vast dat wanneer de vervuiling te wijten is aan een nalatigheid van het bedrijf ingevolge een verkeerd of niet aangepast beleid, het Hof dient te onderzoeken of welbepaalde organen of aangestelden konden en/of moesten handelend optreden om dit te beletten. De vastgestelde overtredingen in deze zaak zijn volgens het Hof niet het rechtstreeks gevolg van het individueel en persoonlijk toedoen of de nalatigheid van de organen of de aangestelden van het bedrijf. De beslissing om niet of onvoldoende te investeren om op correcte wijze te kunnen voldoen aan de opgelegde norm, is het resultaat van een algemene beleidsoptie van het bedrijf, die als dusdanig genomen is door de raad van beheer als collectief orgaan. Volgt vrijspraak van de drie beklaagden in deze zaak : de milieu-coördinator van het bedrijf wiens taak slechts adviserend is, de Directeur-Generaal van het bedrijf die ten tijde van het nemen van de gelaakte lozingsbeslissing nog niet was benoemd en naderhand niet vaststaat of hij enige beslissingsmacht had in verband met de gevoerde investeringspolitiek, de voorzitter van de Raad van Beheer van het bedrijf aangezien diens individuele rol en persoonlijk aandeel i.v.m. het algemeen beleid van het bedrijf wat een collegiale beslissing is, niet vaststaat.