43094 | 06.08.1992 V. nr. 219 (Vl. R.): Milieuheffing op het afvalwater - Wanbetalers

NELIS - VAN LIEDEKERKE Lisette

V. en A., Vl. R., 07.09.1992,1991-92(BZ), (11), 489

Volgens art. 35terdecies, par. 1, van het decreet van 21.12.1990 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, wordt voor iedere overtreding van de verplichting om aan de heffing te voldoen, een administratieve geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde heffing, met dien verstande dat deze boete ten minste 2.000 frank bedraagt. Art. 35terdecies en 35quaterdecies bepalen de invorderingsprocedure van de milieuheffing. Bij gebrek aan voldoening van de heffing, interesten en administratieve geldboetes vaardigt de daartoe bevoegde ambtenaar een dwangbevel uit dat geviseerd en uitvoerbaar veklaard wordt. Dit dwangbevel wordt betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot of bij aangetekend schrijven. Op het dwangbevel zijn de bepalingen van deel II van het Gerechtelijk Wetboek houdende bewarend bedrag en uitvoering van toepassing. De heffingsplichtige kan binnen de 30 dagen na betekening van het dwangbevel bij deurwaardersexploot een met redenen omkleed verzet doen en het Vlaamse Gewest dagvaarden bij de Rechtbank van Eerste aanleg. Dit verzet schorst de tenuitvoerlegging van het dwangbevel. Voor de definitieve belichting van bovenvermeld geschil kan de met de invordering belaste ambtenaar een kortgeding inleiden bij de voorzitter van de rechtbank waar het geschil in eerste aanleg aanhangig werd gemaakt, teneinde de heffingsplichtige te doen veroordelen tot betaling van een provisie op het bij dwangbevel gevorderde bedrag. Op grond van het uitvoerbaar verklaarde dwangbevel heeft het Vlaamse Gewest een algemeen voorrecht op alle roerende goederen van de heffingsplichtige en kan een wettelijke hypotheek nemen op al de daarvoor vatbare en in het Vlaamse Gewest gelegen of geregistreerde goederen van de heffingsplichtige. Wat de verjaring betreft is het zo dat de vordering tot voldoening van de heffing, van de interesten en van de administratieve geldboete, verjaart door verloop van vijf jaar, te rekenen van de dag waarop zij is ontstaan. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de art. 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.