55428 | O.M. / M. en n.v. B.M.

Antwerpen,1 maart 1991, 7e K.

T.Milieurecht, mei-juni 1993, V.2, (3), 150-152+ noot De Jager L.

Een onderneming heeft afvalwater geloosd in de gewone oppervlaktewateren zonder te voldoen aan de voorwaarden opgelegd in de lozingsvergunning. Aangezien de geloosde afvalwateren een grotere verontreinigende belasting hebben dan toegelaten door de opgelegde voorwaarden van de lozingsvergunning is een voorbehandeling ervan door de onderneming noodzakelijk alvorens te kunnen lozen. De onderneming beweert hiervan vrijgesteld te zijn geweest omdat ze in toepassing van art. 9,2,3 van de oppervlaktewaterwet deze voorbehandeling heeft opgedragen aan een waterzuiveringsstation omdat ze niet zelf hiervoor wilde instaan (gebruik makend van het z.g. keuzerecht). De juiste interpretatie van dit artikel brengt echter mee dat enkel in de gevallen waarin de vereiste behandeling kan geschieden in een bestaand waterzuiveringsstation, de behandeling van het water kan overgedragen worden mits het verzoek van de onderneming tot toetreding. In de gevallen waar nog geen waterzuiveringsstations bestaan (zoals het geval was in deze zaak) kan het keuzerecht uiteraard niet uitgeoefend worden. worden.