56468 | Préjudiciele vraag gesteld door de Raad van State inzake Stad Moeskroen en Waalse Gewest

Arbitragehof,27 mei 1993, arrest nr. 40/93

B.S., 14.07.1993, V.163, (138), 16466-16471

Art. 17 van het decreet van het Waalse Gewest 07.10.1985 inzake de bescherming van het oppervlaktewater tegen vervuiling machtigt de Executieve, rekening houdende met de grenzen van de hydrografische bekkens, het rechtsgebied vast te stellen waarvoor zij verenigingen van gemeenten als waterzuiveringsinstelling erkent en staat haar toe het grondgebied van gemeenten die geen lid zijn van de betrokken verenigingen geheel of gedeeltelijk in dat rechtsgebied op te nemen. Er bestaat dus, onder de gemeenten waarvan het grondgebied geheel of gedeeltelijk in het ambtsgebied van een erkende instelling is opgenomen, een onderscheid tussen die welke lid zijn van de verenigingen en die welke het niet zijn. De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen zou worden ingesteld, voor zover voor het criterium van onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld met inachtneming van het doel en de gevolgen van de bestreden maatregelen en van de aard van de terzake geldende beginselen; het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. Door aan de Gewesten de bevoegdheid toe te wijzen op hun grondgebied het ambtsgebied van intercommunales vast te stellen heeft art. 6, par. 1, VIII, 1° van de bijzondere wet 08.08.1980 tot hervorming der instellingen hen niet gemachtigd gemeenten ertoe te dwingen zich te verenigen. De decreetgever wilde trouwens de gemeentelijke autonomie beschermen toen hij de bepaling in geding aannam (Doc. CRW Stuk. 107 (1983-1984), (1), 5). Door te proberen, wanneer hij een waterzuiveringsbeleid in werking stelt door middel van opdrachten die aan waterzuiveringsinstellingen worden toevertrouwd, het ambtsgebied van die instellingen met de grenzen van hydrografische bekkens te laten samenvallen, neemt de wetgever een redelijke maatregel gelet op de doelstelling die hij nastreeft : een dergelijk samenvallen kan immers ertoe bijdragen een rationele en derhalve efficiënte waterzuivering te verzekeren. Wanneer de waterzuiveringsinstellingen in de vorm van verenigingen van gemeenten zijn opgericht, blijkt de bepaling die voorziet in hun erkenning in een ambtsgebied dat zich tot buiten de statutaire grenzen van die verenigingen uitstrekt, geen middel te zijn dat onevenredig is met het nagestreefde doel, voor zover hiermee niet al te zeer afbreuk wordt gedaan aan het belang dat de gemeenten erbij hebben dat ze zich al dan niet kunnen verenigen. De bepaling in kwestie houdt geenszins een dergelijke inbreuk in. Zij waarborgt dat alle gemeenten die lid zijn van de vereniging zullen behoren tot het ambtsgebied van de erkende instelling. Het is niet omdat de functie van waterzuiveringsinstelling door verenigingen van gemeenten wordt vervuld, dat elke verplichting die een gemeente die geen lid is van die verenigingen jegens een dergelijke instelling wordt opgelegd haar ertoe verplicht zich te verenigen. Uit het feit dat de decreetgever aan de Executieve de bevoegdheid heeft toevertrouwd de bepaling in geding in werking te stellen door de waterzuiveringsinstellingen te erkennen, kan niet worden afgeleid dat hij de Executieve heeft toegestaan de beginselen van gelijkheid en niet-discri