62295 | Electrabel / Vlaamse Raad

Arbitragehof,9 november 1993, arrest nr. 79/93

B.S., 15.12.1993, V.163, (249), 26707-26712; T.Milieurecht, januari-februari 1994, V.3, (1), 25-28

Het decreet voerde de belasting in op het lozen van koelwater en wordt door Electrabel op 2 punten bestreden: - het is een belasting op een activiteit die een federale materie is; - de berekeningswijze van de heffing is discriminerend. Het Hof verwerpt de beroepen met de volgende redeneringen : 1. Het lozen van koelwater is geen materie die het voorwerp uitmaakt van een belasting door de Staat. Noch door het belastbaar feit, noch door de heffingsgrondslag kan de bestreden belasting worden beschouwd als een belasting die zou zijn geheven op de activiteit, dus op de inkomsten, van de heffingsplichtigen en die bijgevolg aan de Staat zou zijn voorbehouden. Het is dus wel het Gewest dat bevoegd is. 2. Is een heffing ingegeven door het principe 'de vervuiler betaalt', dan neemt zij het niet-discriminatiebeginsel alleen dan in acht wanneer zij diegenen belast die vervuilen en wanneer zij rekening houdt met de mate waarin elke belastingschuldige aan de hinder bijdraagt waartegen de belasting tracht op te komen. Met toepassing van dat beginsel heeft de decreetgever een heffing ingesteld die, inzake het lozen van koelwater, wordt berekend volgens het door iedere belastingschuldige geloosde volume koelwater. Door de belastbare grondslag en het tarief van de belasting op het lozen van koelwater op forfaitaire wijze vast te stellen, totdat een minder benaderende berekeningswijze kan worden uitgewerkt, heeft de decreetgever oog gehad voor de technische moeilijkheden en de kosten die gepaard zouden gaan met een systeem waarin de reƫle weerslag op het milieu van de koelwaterlozingen op nauwkeurige wijze zou worden gemeten ten aanzien van het zuurstofgehalte, de intensiteit van het debiet en het temperatuurverschil tussen het geloosde en het opgevangen water. Afgezien van de eenvormige reductiefactoren (a en 0,0004) die niet zijn aangevochten, is de berekening van de belasting niet forfaitair in zoverre zij in verhouding staat tot het geloosde volume, een gemakkelijk meetbaar element waarvan het ter zake doende karakter niet kan worden betwist. Er bestaat derhalve geen klaarblijkelijke onevenredigheid tussen de aangevochten maatregel en de doestellingen van de decreetgever. Met de invoering van die belasting en de vaststelling van haar grondslag, heeft de decreetgever ervoor gekozen het lozen van koelwater in oppervlaktewateren te ontmoedigen, en een vermindering van het volume van het geloosde koelwater in de hand te werken. Afgezien van het feit dat niet vaststaat dat de nadelen van andere koeltechnieken even groot zouden zijn als die van de lozing in het oppervlaktewater, staat het de decreetgever aan te geven welke soorten vervuiling het meest moeten worden voorkomen en hoe groot de lasten zijn die te dien einde dienen te worden opgelegd.