71751 | O.M. / F.R., L.D.V., D.T. en n.v. R.P.C.

Corr. Gent,26 oktober 1993, 21e K.

T.Milieurecht, mei-juni 1994, V.3, (3), 194-198

Het recht van verdediging vereist dat, bij het verlenen van wettelijke bewijswaarde aan een proces-verbaal, een afschrift ervan binnen een bepaalde termijn aan de overtreder wordt bezorgd opdat deze in de mogelijkheid zou worden gesteld om eventueel het tegenbewijs te leveren. Art. 37 par. 3 Oppervlaktewaterenwet voorziet een dergelijke termijn, maar deze verplichting is niet voorzien op straffe van nietigheid. Deze termijn neemt een aanvang de dag dat de controlerende ambtenaar het misdrijf uit het analyseverslag distilleert. Wanneer het niet uitdrukkelijk op straffe van nietigheid werd voorgeschreven, schept de niet-tijdige toezending geen nietigheid, maar vervalt enkel de bijzondere wettelijke bewijswaarde. De wetgever heeft aan het annulatieberoep bij de Raad van State echter geen schorsende werking toegekend ten aanzien van een eventuele strafrechtelijke vervolging. Voor de toepassing van de noodtoestand in het milieustrafrecht is echter vereist dat : - het gaat om sociaal-economische moeilijkheden die de wetgever niet heeft kunnen voorzien - het gaat om sociaal-economische moeilijkheden die de administratieve overheid niet heeft kunnen voorzien; - in concreto de sociaal-economische belangen een grotere waarde hebben dan de milieuregulering, waarvan de naleving onmogelijk was. De dreiging van een ernstig kwaad, voorwaarde van de noodtoestand, veronderstelt een plotselinge situatie waarmede een jarenlange aanhoudende wetsovertreding niet verenigbaar is. Voor de beoordeling van de strafrechtelijke aansprakelijkheid inzake de overschrijding van de lozingsvoorwaarden gaat het er vooral om te weten wie een eind kon stellen aan het onmiddellijk gevaar voor het leefmilieu en is eigenlijk irrelevant de vraag wie uiteindelijk bevoegd was om te investeren of om milieubeleidsbeslissingen te treffen.