76035 | Gemeente Westerlo / Vlaamse Gewest

R.v.St.,24 juni 1993, nr. 43465

T.Milieurecht, juli-augustus 1994, V.3, (4), 248-251

Een milieuvergunning mag niet meer toestaan dan in de milieuvergunningsaanvraag werd gevraagd. Daaraan is voldaan als blijkt dat de vergunning de exploitatie van dezelfde rioolwaterzuiveringsinstallatie bedoelde als deze die aangevraagd werd, vermits de exploitatie van dergelijke installatie niet alleen het aanvoeren en het opslaan, maar ook het verwerken veronderstelt van bepaalde afvalwateren. Bovendien werden de termen van de aanvraag gebruikt in de berichten van openbaar onderzoek.
Dierlijk mest kan als afvalstof worden beschouwd en de verwerking ervan gebeurt door ontwatering, solidificatie of fysio-chemische behandeling, waardoor een inrichting dat sedert het VLAREM I onder subrubriek 28.3 valt (inrichtingen waar dierlijk mest afkomstig van derden wordt verwerkt) daarvoor onder rubrieken 22 e) en 22 f) viel. Een milieuvergunning voor dergelijke inrichting toegekend voor de inwerkingtreding van VLAREM, is dus niet onregelmatig. Een besluit tot milieuvergunning moet worden gemotiveerd. Er moet in het bijzonder worden geantwoord op andersluidende adviezen uitgebracht tijdens de voorbereidende procedure en op ingebrachte bezwaren. Een besluit dat van geen enkel advies afwijkt hoeft dat niet te motiveren. Door de vergunning afhankelijk te maken van de naleving van de algemene milieuvoorwaarden van de art. 7 en 9 van het VLAREM wordt op het eerste zicht afdoende geantwoord op het bezwaar van geurhinder. Het bezwaar van een te groot nitraatgehalte in het lozingswater wordt afdoende beantwoordt in het besluit door de overweging dat het oppervlaktewater waarin geloosd wordt geen bijzondere bescherming geniet en door normen betreffende emissiegrenswaarden inzake BZV (biochemisch zuurstofverbruik) en zwevende stoffen en meetverplichtingen aan de vergunning te koppelen.