76612 | 21.12.1983 KB nr. 230 betr. de stage en de inschakeling van jongeren in het arbeidsproces

Min. van Tewerkstelling en Arbeid,HANSENNE Michel

B.S., 28.12.1983, V.153, (246), 16200-16206+Verslag aan de Koning en Advies R.v.St.

Dit besluit legt de wettelijke verplichting op, zowel aan openbare administraties als aan ondernemingen met meer dan 50 werknemers, jongeren van minder dan 30 jaar tewerk te stellen naar rato van 3 % voltijds van het personeelsbestand. De jongeren waarvan sprake, zijn werkzoekenden die niet langer dan 6 maanden hebben gewerkt. Zij kunnen zowel voltijds als deeltijds worden tewerkgesteld, in de privé sector, voor een periode van 6 maanden, éénmaal verlengbaar met dezelfde duur of, in de openbare sector, voor een jaar. De stagevergoeding bedraagt 90 % van het beginloon dat voor gelijkaardige prestaties (halftijds, 4/5e-tijds, enz.) toegekend wordt aan een personeelslid dat dezelfde funkties uitoefent in de administratie of in de betrokken onderneming. De stage wordt echter op een verschillende manier georganiseerd in de openbare administraties en de ondernemingen en dit rekening houdend met hun specificiteit. In de openbare administraties worden de stagiairs noodzakelijk deeltijds tewerkgesteld. De deelstijdse betrekking kan overeenstemmen met hetzij een halftijdse, hetzij een 4/5-tijdse tewerkstelling. De 4/5-tijdse betrekking moet per volledige dagen uitgeoefend worden. De totale som van deze deeltijdse betrekkingen moet overeenstemmen met de voltijdse aanwerving van 3 % zoals hierboven omschreven. Voor de overheidsbedrijven in herstructurering die het voorwerp uitmaakten van een door de Ministerraad goedgekeurd saneringsplan is een bijzonder stelsel voorzien. Voor de toepassing van dit besluit wordt onder administratie verstaan : 1° de Rijksdiensten die onder de wetgevende, de uitvoerende of de rechterlijke macht ressorteren, behoudens het personeel van de Kamer van Volksvertegenwoordigers en van de Senaat; 2° de diensten van de Gemeenschappen en de Gewesten bedoeld in art. 87 van de bijzondere wet 08.08.1980 tot hervorming der instellingen; 3° de provincies, de gemeenten, de agglomeraties en federaties van gemeenten, de intercommunale verenigingen alsmede de verenigingen waartoe zij behoren en de overheidsinstellingen die van hen afhangen; 4° de instellingen van openbaar nut; 5° de polders en wateringen; 6° de door de Staat gesubsidieerde onderwijsinrichtingen.