78067 | 19.12.1974 Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel

Eerste Min.,TINDEMANS Leo

B.S., 24.12.1974, V.144, (246), 15410-15416

De bij deze wet ingestelde regeling kan door de Koning, onder de voorwaarden en binnen de grenzen welke Hij vaststelt, toepasselijk verklaard worden op leden van het personeel van : - rijksbesturen en andere rijksdiensten, met inbegrip van onderwijsinrichtingen en van diensten die de rechterlijke macht ter zijde staan; - instellingen van openbaar nut; - provincies, gemeenten en alle andere provinciale of plaatselijke instellingen bedoeld in de art. 108 en 108bis Oude Grondwet; - openbare instellingen die ondergeschikt zijn aan de gemeenten; - polders en wateringen. De essentie van deze wet kan als volgt worden samengevat : Fundamenteel is dat aan de syndicale vrijheid in de overheidssector in genendele wordt geraakt. Het stelsel van syndicale raadpleging wordt vervangen door een stelsel van onderhandeling tussen de overheid en de representatieve vakorganisaties. De resultaten van die onderhandelingen worden vastgelegd in een protocol. Op die manier worden de sedert de zestiger jaren en tot voor enige jaren gevoerde feitelijke onderhandelingen, in het kader van de zogenaamde sociale programmaties voor de overheidssector, geïnstitutionaliseerd (art. 2, par. 1 en par. 2, van de wet). Vermits onderhandelingen redelijkerwijze enkel worden gevoerd over belangrijke aangelegenheden, worden de andere aangelegenheden die de personeelsleden aanbelangen, onderworpen aan een overlegprocedure die uitmondt in een gemotiveerd advies (art. 11 van de wet). Teneinde onderhandeling en overleg mogelijk te maken, worden de nodige structuren (comités) in uitzicht gesteld (art. 3, 4 en 10 van de wet). Onderhandelingen en overleg worden gevoerd tussen de verantwoordelijke overheden en de representatieve vakorganisaties. Het belang van de onderhandelingen en het overleg vereist immers dat de betrokken vakorganisaties voldoende waarborgen inzake werking en ledensterkte zouden bieden, om als geldige gesprekspartner in naam van alle personeelsleden van de overheidssector te kunnen optreden. De vereisten waaraan de vakorganisaties moeten voldoen om in de onderhandlings- en overlegcomités zitting te hebben (representativiteitsvoorwaarden en -criteria genoemd) zijn door de wet zelf op algemene wijze bepaald (art. 7 en 8 van de wet). Ook de wijze waarop, met voldoende waarborgen inzake objectiviteit, zal worden nagegaan welke vakorganisaties aan de gestelde representativiteitscriteria voldoen, is door de wet bepaald (art. 14 van de wet). Ten slotte legt de wet eveneens de basis voor het concrete optreden van alle vakorganisaties in de overheidsdiensten. Zij voorziet daartoe in een erkenningsregeling voor de vakorganisaties die - ook al hebben zij niet noodzakelijke zitting in de onderhandelings- en overlegcomités - in de overheidssector wensen op te treden (art. 15 van de wet). Daarenboven bepaalt de wet de prerogatieven van de erkende en van de representatieve vakorganisaties. Tegelijk is voorzien dat bij koninklijk besluit de wijze waarop die prerogatieven kunnen worden uitgeoefend, zullen worden bepaald (art. 16 en 17 van de wet). De wet voorziet ten slotte dat het statuut van alle personen die aan het