113214 | 20.02.1997 BBHR tot vaststelling van de voorwaarden voor de meting van de hoeveelheid van de waterwinning
Min. belast met Economie, Financiƫn, Begroting, Energie en Externe Betrekkingen van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, CHABERT Jos
Min. belast met Leefmilieu en Waterbeleid, Renovatie, Natuurbehoud en Openbare Netheid van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest,

BS 1997-04-16

Indien de heffingsplichtige niet overgaat tot de meting van het afvalwatervolume, overeenkomstig art. 10, par. 1, eerste lid, van de ordonnantie 29.03.1996 tot instelling van een heffing op de lozing van afvalwater, wordt, behoudens tegenbewijs, het afvalwatervolume geacht gelijk te zijn aan de hoeveelheid van de waterwinning, vermeerderd met het watervolume dat tijdens het belastbaar tijdperk door de waterverdeler in rekening wordt gebracht overeenkomstig art. 10, par. 1, tweede lid van de ordonnantie.
Dit besluit bepaalt de berekeningswijze van de hoeveelheid van de waterwinning.

Wordt opgeheven voor het Brussels Gewest:
MB 21.11.1973 betreffende de meetinrichtingen voor grondwaterwinningen.

nvdr: De Ordonnantie 29.03.1996 tot instelling van een heffing op de lozing van afvalwater wordt opgeheven door de ordonnantie 20.10.2006 tot opstelling van een kader voor het waterbeleid (zie doc. nr. 213828). De Regering kan evenwel besluiten dat de art. 15 tot 21 van die ordonnantie van kracht blijven in de mate dat dit nodig is om rekening te houden met de vervuiling van geloosd afvalwater voor de bepaling van de waterprijs en de saneringsdiensten.