169561 | De prejudiciële vragen betr. art. 35quinqies decies, par. 3, eerste en tweede lid, en par. 4, van de wet 26.03.1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, ingevoegd door art. 5 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 06.07.1994 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 1994

Arbitragehof, 14 februari 2001, arrest nr. 19/2001

B.S., 05.05.2001,2e uitgave, V.171, (131), 14837-14839; T.Milieurecht, juni 2001, V.10, (3), 243-244; Lok.Reg.Bel., oktober 2001, (4), 248-253+noot 257-263; Amén., mars 2002, (3), 246

De prejudiciële vragen hebben betrekking op art. 5 van het decreet van 06.07.1994 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 1994, in zoverre in art. 35quinquies decies van de wet 26.03.1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging een fiscale geschillenregeling wordt bepaald.
Het Hof stelt vast dat een nieuwe fiscale geschillenregeling is ingevoerd door de wet 15.03.1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen en de wet 23.03.1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, die in beginsel geldt voor alle belastingen en dus ook voor die welke zijn ingevoerd door de gewesten. De prejudiciële vraag heeft evenwel betrekking op de rechtssituatie zoals die bestond vóór de inwerkingtreding van de nieuwe fiscale procedure, zodat deze bij het onderzoek van de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest buiten beschouwing dient te worden gelaten.
Het Hof is evenwel niet ondervraagd over de toepasselijkheid van het decreet 06.07.1994 voor de periode na het in werking treden van de nieuwe fiscale procedure vervat in de wetten 15 en 23.03.1999. De prejudiciële vragen moeten negatief worden beantwoord.