170285 | Commissie van de E.G. / Verenigd Koninkrijk

Hof van Justitie EEG, 7 december 2000, nr. C-69/99

T.Milieurecht, april 2001, V.10, (2), 188

Dit arrest herhaalt de belangrijke principes inzake het niet-tijdig omzetten van een Europese richtlijn naar aanleiding van de (niet-)omzetting door het Verenigd Koninkrijk van de zogenaamde nitratenrichtlijn (richtlijn 91/676/EEG betreffende de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen).
Volgens art. 189, derde alinea, EG-Verdrag (thans art. 249, derde alinea, EG) is een richtlijn verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke lidstaat waarvoor zij bestemd is. Deze verplichting brengt met zich, dat de in de richtlijnen vastgestelde termijnen moeten worden gerespecteerd.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet voorts het bestaan van een niet-nakoming worden beoordeeld naar de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het eind van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn. Het Hof kan dus met latere wijzigingen geen rekening houden.
In casu blijkt uit de formulering van de art. 3, leden 1 en 2, en 5 juncto bijlage I, A, punten 1 en 2, van de richtlijn, dat de lidstaten de volgende verplichtingen moeten nakomen:

  • niet alleen het water dat voor menselijke consumptie is bestemd, maar ook alle zoete oppervlaktewater en grondwater dat meer dan 50 mg nitraat per liter bevat of zou kunnen bevatten, vaststellen als wateren die door verontreiniging beïnvloed worden of zouden kunnen worden indien de maatregelen overeenkomstig art. 5 achterwege blijven (art. 3, lid 1);
  • uiterlijk op 20.12.1993 als kwetsbare zones aanwijzen, alle hun bekende stukken land op hun grondgebied die afwateren in de wateren die overeenkomstig art. 3, lid 1, vastgesteld zijn als door verontreiniging beïnvloed (art. 3, lid 2);
  • uiterlijk op 20.12.1995 actieprogramma's opstellen om de waterverontreiniging door nitraten te verminderen en de waterkwaliteit te verbeteren in de overeenkomstig art. 3, lid 2, van de richtlijn aangewezen kwetsbare zones, of deze problemen oplossen (art. 5).
Uit de processtukken blijkt dat het Verenigd Koninkrijk, zoals het zelf erkent, aan het eind van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn niet heeft voldaan aan die verplichtingen.
Mitsdien moet worden vastgesteld dat het Verenigd Koninkrijk, door niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan de verplichtingen van de art. 3, leden 1 en 2, en 5 van de richtlijn, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.