191689 | De prejudiciƫle vraag over art. 26 van de wet 22.12.1986 betr. de intercommunales

Arbitragehof, 21 januari 2004, arrest nr. 8/2004

B.S., 26.04.2004,3e uitgave, V.174, (144), 34409-34410; R.W., 08.05.2004, V.67, (36), 1417

Art. 26 van de wet 22.12.1986 betreffende de intercommunales is discriminerend, in zoverre het tot gevolg heeft de intercommunales vrij te stellen van de heffing bedoeld in hoofdstuk IIIbis van de wet 26.03.1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, ingevoerd bij het decreet 25.06.1992 houdende diverse bepalingen tot begeleiding van de begroting 1992, terwijl de gemeenten als publiekrechtelijke rechtspersonen evenwel onderworpen aan deze heffing zijn.

Art. 26 van de wet 22.12.1986 gaat terug op art. 13 van de wet 18.08.1907 'betreffende de verenigingen van gemeenten en van particulieren tot het inrichten van waterleidingen'.

De fiscale vrijstelling van de intercommunales werd tijdens de parlementaire voorbereiding van die wet als volgt verantwoord: 'De maatschappijen waarop dit wetsontwerp betrekking heeft, zijn opgericht met een doel van algemeen belang; zij nemen de taak op zich een gemeentelijke plicht te vervullen: het lijkt rechtmatig hun het vervullen van die taak te vergemakkelijken door hun de fiscale voordelen toe te kennen die de gemeenten, in wier plaats zij optreden, zouden genieten'.

Uit die motivering kan worden afgeleid dat de in het geding zijnde bepaling gerechtvaardigd is wanneer zij tot gevolg heeft de intercommunales vrij te stellen van belastingen waaraan de gemeenten niet zijn onderworpen.

Rekening houdend met de doelstelling van de vrijstelling in art. 26 van de wet 22.12.1986, is het verschil in behandeling van de intercommunales en de gemeenten, wat de in het geding zijnde heffing betreft, niet verantwoord.