192596 | De prejudiciële vragen betr. art. 35quinquies decies, par. 3, eerste lid, en par. 4 tot 7, van de wet 26.03.1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, ingevoegd door art. 5 van het dec. van het Vlaamse Gewest van 06.07.1994 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 1994

Arbitragehof, 17 december 2003, arrest nr. 171/2003

B.S., 02.03.2004,1e uitgave, V.174, (74), 11696-11698

Art. 35quinquies decies van de wet 26.03.1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging (bevoegd rechtscollege voor de behandeling van de geschillen inzake heffingen op de waterverontreiniging) schendt niet de regels die de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de gemeenschappen en de gewesten bepalen.

De eerste prejudiciële vraag in beide zaken heeft betrekking op het feit dat het hof van beroep van het gebied waar het kantoor waar de belasting is of moet worden geïnd gelegen is, als bevoegd rechtscollege wordt aangewezen voor de behandeling van de geschillen inzake heffingen op de waterverontreiniging. In de tweede prejudiciële vraag in beide zaken wordt het Hof gevraagd of het Vlaamse Gewest bevoegd was om, in die aangelegenheid, in het decreet een procedureregeling vast te stellen. De vragen worden samen behandeld.

De decreetgever kon het noodzakelijk achten, om rechtsonzekerheid te vermijden en om een coherente regelgeving in het betrokken domein te waarborgen, de bevoegde rechter uitdrukkelijk te vermelden. De aanwijzing van het hof van beroep sloot aan bij de meeste fiscale procedures en was, wat de territoriale bevoegdheid betreft, in overeenstemming met de toen geldende federale regeling vervat in art. 632 van het Ger. W.. De in het geding zijnde bepaling had derhalve geen invloed op de aan de federale wetgever voorbehouden bevoegdheden, zodat de decreetgever met de aanwijzing van het bevoegde rechtscollege binnen de grenzen gebleven is die zijn aangegeven door art. 10 van de bijzondere wet van 08.08.1980 tot hervorming der instellingen.

Het in het geding zijnde art. 35quinquies decies, par. 4 regelt de wijze waarop voor het hof van beroep nieuwe bezwaren mogen worden geformuleerd en nieuwe stukken kunnen worden ingediend. Aldus bepaalt hij sommige aspecten van de rechtspleging voor dat rechtscollege.

In zijn streven naar een parallellisme met de regeling in W.I.B. 1992 en vanuit dezelfde bekommernis voor een duidelijke en coherente regelgeving, kon de decreetgever voor de betrokken gewestbelasting een soortgelijke regeling noodzakelijk achten. Bovendien kon hij enkel door het opnemen van de bedoelde regelgeving in het decreet de modaliteiten aangeven die specifiek zijn voor de door hem ingestelde belasting en die aansluiten bij de aan het beroep voorafgaande bezwaarprocedure. De weerslag op de aan de wetgever voorbehouden bevoegdheid om de procedure voor de rechtscolleges te regelen is bovendien marginaal, nu de decreetgever zich beperkt heeft tot louter terminologische aanpassingen en in geen enkel opzicht aan de inhoudelijke federale regeling afbreuk heeft gedaan. Het Vlaamse Gewest heeft met de aanneming van de in het geding zijnde bepalingen zijn bevoegdheid niet overschreden.