201264 | De prejudiciële vraag betr. art. 35septies van de wet 26.03.1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging

Arbitragehof, 13 april 2005, arrest nr. 67/2005

B.S., 09.05.2005, V.174, (148), 21843-21844

Niets belet te aanvaarden dat ook ten aanzien van kleinverbruikers het hemelwater in de grondslag van de heffing wordt opgenomen, en dat de heffing erop als 'water dat op een andere wijze wordt gewonnen' forfaitair wordt bepaald, rekening houdend met de belangrijke uitgaven die zouden worden teweeggebracht door de installatie van meettoestellen bij de heffingsplichtigen, wat ook onvermijdelijk buitensporige administratieve verplichtingen met zich mee zou brengen.

De milieuheffingen op de waterverontreiniging beogen, enerzijds, een beperking van de vervuiling van het water en, anderzijds, de financiering en verdeling van de geldelijke lasten ten gevolge van de milieuvervuiling, overeenkomstig het beginsel 'de vervuiler betaalt'.

De milieuheffingen worden, wat het Vlaamse Gewest betreft, geregeld in hoofdstuk IIIbis van de wet van 26.03.1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging. Ongeacht de toegepaste berekeningsmethode is derhalve iedereen die in Vlaanderen water afneemt van een openbare watervoorzieningsmaatschappij en/of beschikt over een eigen waterwinning en/of afvalwater loost, ongeacht de herkomst van het water, heffingsplichtig.

De vuilvracht van het geloosde afvalwater wordt berekend, ofwel op grond van het waterverbruik, ofwel op grond van meet- en bemonsteringsresultaten, ofwel op grond van omzettingscoëfficiënten. Wanneer de vuilvracht wordt berekend op grond van het waterverbruik maakt artikel 35quater, par. 1, een onderscheid naargelang de heffingsplichtige uitsluitend water afneemt van een openbaar waterdistributienet, uitsluitend water afneemt van een eigen waterwinning, of een combinatie van beide afnamemogelijkheden hanteert.

De forfaitaire methode van artikel 35quater, par. 1, voor de berekening van de vuilvracht op grond van het waterverbruik is voorbehouden aan de zogenaamde kleinverbruikers, dit zijn de heffingsplichtigen die in het jaar voorafgaand aan de heffing, ofwel minder dan 500 m[00b3] water hebben afgenomen van een openbaar waterdistributienet, ofwel hebben beschikt over een eigen waterwinning met een getotaliseerd nominaal pompvermogen van minder dan 5 m3 per uur, ofwel die beide mogelijkheden combineren. De grootverbruikers, zijnde de heffingsplichtigen die niet onder art. 35quater vallen, worden belast op grond van meet- en bemonsteringsresultaten van het door hen geloosde afvalwater, dit wil zeggen op de werkelijke vuilvracht van het water, behalve indien de gegevens met betrekking tot het geloosde afvalwater die nodig zijn voor de toepassing van die methode niet of onvolledig voorhanden zijn. In dat geval worden de grootverbruikers belast op grond van de omzettingscoëfficiënten.

Als art. 35septies geïnterpreteerd wordt in de zin dat voor de berekening van de heffing voor grootverbruikers rekening wordt gehouden met hemelwater of regenwater, terwijl voor kleinverbruikers, overeenkomstig art. 35quater, daarmee geen rekening moet worden gehouden, schendt die bepaling art. 10 en 11 van de grondwet.

Het criterium van onderscheid tussen groot- of kleinverbruikers is niet pertinent in het licht van de doelstelling van de wetgever, een beperking van de vervuiling van het water (aanmoedigingsfunctie) en de financiering en verdeling van de geldelijke lasten ten gevolge van de milieuvervuiling (herverdelende functie), overeenkomstig het beginsel 'de vervuiler betaalt'. Volgens het hof tonen de partijen niet aan in welke mate dergelijke doelstellingen van de wetgever te verenigen zijn met het onderscheid in de grondslag van de heffing. Zowel kleinverbruikers als grootverbruikers kunnen, wanneer zij hemelwater winnen, verbruiken of lozen, dat water vervuilen, waardoor voor beide categorieën van verbruikers het regenwater als onderdeel van de heffingsgrondslag zou moeten worden aangemerkt.