212070 | Prejudiciële vragen betr. art. 1, vierde lid, 35bis, 35ter en 35sexies van de wet 26.03.1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, zoals ingevoegd bij het Vlaamse decreet van 25.06.1992

Arbitragehof, 17 mei 2006, arrest nr. 80/2006

B.S., 11.08.2006,2e editie, V.176, (254), 40595-40596

Het verschil in behandeling bij de berekening van het bedrag van de heffing is pertinent ten aanzien van de bedoeling rekening te houden met de mate waarin elke heffingsplichtige aan de hinder bijdraagt waartegen de heffing tracht op te komen, evenals ten aanzien van het doel de vervuiling van het water te beperken. Doordat het bedrag van de heffing afhankelijk werd gemaakt van de werkelijke vuilvracht die door toedoen van de heffingsplichtige in het ontvangende oppervlaktewater wordt ingebracht, is deze regeling evenredig met deze doelstellingen.

Het bedrag van de heffing op de waterverontreiniging wordt bepaald naar gelang van de vuilvracht uitgedrukt in vervuilingseenheden (art. 35ter van de wet 26.03.1971).
Op basis van meet- en bemonsteringsresultaten mag de vuilvracht worden verminderd, wanneer het in een bepaald oppervlaktewater geloosde afvalwater geheel of gedeeltelijk afkomstig is van het gebruik van oppervlaktewater dat uit hetzelfde oppervlaktewater is opgenomen als dit waarin het afvalwater wordt geloosd.
Die vermindering, die het voorwerp uitmaakt van de prejudiciële vraag, komt erop neer dat de vuilvracht van het opgenomen oppervlaktewater mag worden afgetrokken van de in het geloosde water aanwezige vuilvracht.

De milieuheffingen op de waterverontreiniging beogen, enerzijds, een beperking van de vervuiling van het water en, anderzijds, de financiering en verdeling van de geldelijke lasten ten gevolge van de milieuvervuiling, overeenkomstig het beginsel 'de vervuiler betaalt'.

Is een heffing ingegeven door het principe 'de vervuiler betaalt', dan neemt zij het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie alleen dan in acht wanneer zij diegenen belast die vervuilen en wanneer zij rekening houdt met de mate waarin elke belastingschuldige aan de hinder bijdraagt waartegen de belasting tracht op te komen.

Het aan het Hof voorgelegde verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk het al dan niet lozen van afvalwater in hetzelfde oppervlaktewater als datgene waaruit de heffingsplichtige water opneemt.

De decreetgever heeft het recht op vermindering van de vuilvracht enkel willen toekennen aan de heffingsplichtige die zijn afvalwater terugloost in hetzelfde oppervlaktewater als datgene waaruit het water oorspronkelijk werd opgenomen, vanwege het feit dat hij de reeds in het water aanwezige vuilvracht louter terugstort. Wanneer de heffingsplichtige daarentegen loost in een ander oppervlaktewater dan datgene waaruit het water werd opgenomen, wordt de volledige in het geloosde afvalwater aanwezige vuilvracht - dus ook de vuilvracht die reeds vóór de aanwending in het productieproces van de verbruiker in het opgenomen water aanwezig was - toegevoegd aan het oppervlaktewater waarin wordt geloosd.

Die verantwoording dient te worden begrepen in het licht van de reglementering die de oppervlaktewateren in het Vlaamse Gewest op basis van milieukwaliteitsnormen indelen in verschillende categorieën. Behoudens de basismilieukwaliteitsnormen, die voor alle oppervlaktewateren gelden, bevat het BVR 01.06.1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (VLAREM II) ook bijzondere milieukwaliteitsnormen voor bepaalde oppervlaktewateren, afhankelijk van de bestemming ervan.

Het verschil in behandeling bij de berekening van het bedrag van de heffing is pertinent ten aanzien van de bedoeling rekening te houden met de mate waarin elke heffingsplichtige aan de hinder bijdraagt waartegen de heffing tracht op te komen, evenals ten aanzien van het doel de vervuiling van het water te beperken. Doordat die bepalingen het bedrag van de heffing afhankelijk maken van de werkelijke vuilvracht die door toedoen van de heffingsplichtige in het ontvangende oppervlaktewater wordt ingebracht, is de regeling bovendien evenredig met die doelstellingen.

nvdr: De beslissing om aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag te stellen schort de procedure en de termijnen van procedure en verjaring op vanaf de datum van die beslissing tot de datum waarop het arrest van het Arbitragehof ter kennis wordt gebracht van het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld.