224079 | 26.10.2007 BVR houdende vaststelling van de selectiecriteria zoals bedoeld in art. 4 van het BVR houdende vaststelling van de nadere regels betreffende de subsidiëring van projecten in het kader van het Rubiconfonds in het begrotingsjaar 2007

Vlaams Min. van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening,VAN MECHELEN Dirk

B.S., 23.11.2007, V.177, (332), 58589-58592

Het Rubiconfonds werd opgericht om de investeringen van het Vlaamse Gewest voor waterbeheersing en de waterbeheersingswerken door de gemeenten bijkomend te ondersteunen. Dit besluit bepaalt de selectiecriteria voor de projecten in het kader van dit Rubiconfonds.

Op basis van de door de Coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid (CIW) op 19.09.2007, overeenkomstig art. 4 van het BVR 07.09.2007 houdende vaststelling van de nadere regels betreffende de subsidiëring van projecten in het kader van het Rubiconfonds in het begrotingsjaar 2007 vastgestelde selectiecriteria bepaalt de Vlaamse Regering dat de beoordeling van de aanvragen gebeurt op basis van vier gelijkwaardige selectiecriteria. De beoordeling maakt het mogelijk de aanvragen te rangschikken naar volgorde van in aanmerking komend voor subsidie. Een aanvraag wordt hoger gewaardeerd naarmate het project positiever bijdraagt aan de selectiecriteria. Deze selectiecriteria gelden enkel voor de beoordeling van aanvragen die uiterlijk op 22.10.2007 bij de CIW worden ingediend.

De relatie van het project met het planningsinstrumentarium binnen het integraal waterbeleid is het eerste selectiecriterium.
Projecten die in relatie staan tot of uitvoering geven aan één of meerdere van de onderstaande plannen krijgen een hogere beoordeling:

  • een ontwerp van bekkenbeheerplan of deelbekkenbeheerplan;
  • een goedgekeurd waterhuishoudingsplan;
  • een door de gemeenteraad of provincieraad goedgekeurd DuLo-Waterplan in uitvoering van de Cluster Water van de Samenwerkingsovereenkomst 'Milieu als opstap naar Duurzame Ontwikkeling'.
De mate waarin het project aansluit op de volgende doelstellingen van het decreet betreffende het integral waterbeleid 18.07.2003 is het tweede selectiecriterium:
  • het voorkomen van de verdere achteruitgang van aquatische ecosystemen, van rechtstreeks van waterlichamen afhankelijke terrestrische ecosystemen en van waterrijke gebieden;
  • het verbeteren en het herstellen van aquatische ecosystemen en van rechtstreeks van waterlichamen afhankelijke terrestrische ecosystemen;
  • het beheer van hemelwater en oppervlaktewater zo organiseren dat:
    • het hemelwater zoveel mogelijk verdampt of nuttig wordt aangewend of geïnfiltreerd, en dat het overtollig hemelwater en effluentwater gescheiden van het afvalwater en bij voorkeur op een vertraagde wijze via het oppervlaktewaternet wordt afgevoerd;
    • verdroging wordt voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt;
    • zoveel mogelijk ruimte wordt geboden aan water, met behoud en herstel van de watergebonden functies van de oeverzones en overstromingsgebieden;
    • de risico's op overstromingen die de veiligheid aantasten van de vergunde of vergund geachte woningen en bedrijfsgebouwen, gelegen buiten overstromingsgebieden, worden teruggedrongen;
  • de integrale afweging van de diverse functies binnen een watersysteem, evenals het onderling verband tussen de verschillende functies van het watersysteem;
  • het bevorderen van de betrokkenheid van de mens met het watersysteem, waaronder de verhoging van de belevingswaarde in stedelijk gebied en vormen van zachte recreatie.
De noodzaak en (snelle) uitvoerbaarheid van het project is het derde selectiecriterium.
De noodzaak van een project wordt afgewogen in functie van het overstromingsgevaar voor vergunde of vergund geachte woningen, bedrijfsgebouwen en vitale openbare nutsvoorzieningen (distributie-installaties voor gas, elektriciteit, telecommunicatie, politie, brandweer en medische faciliteiten) in de gebieden die na uitvoering gevrijwaard worden van overstromingen.
De beveiligingsgraad wordt bepaald aan de hand van het aantal vergunde of vergund geachte woningen, bedrijfsgebouwen en vitale openbare nutsvoorzieningen dat beschermd wordt en aan de hand van de beperking van de economische schade door uitvoering van het project.
Bij de afweging van projecten wordt niet alleen het absoluut aantal vergunde of vergund geachte woningen, bedrijfsgebouwen en vitale openbare nutsvoorzieningen dat gevrijwaard wordt van overstroming bekeken, ook de kostenefficiëntie van het project wordt in rekening gebracht.

De mate waarin maatregelen van NTMB (natuurtechnische milieubouw) in het project worden geïntegreerd, is het vierde selectiecriterium.
Als referentie voor maatregelen van natuurtechnische milieubouw gelden het 'Vademecum Natuurtechniek: inrichting en beheer van waterlopen' departement Leefmilieu en Infrastructuur (Brussel 1994) en het 'Vademecum Natuurtechniek: inrichting en beheer van wegen' departement Leefmilieu en Infrastructuur (Brussel 1996).

Het besluit bepaalt de inhoud van de aanvraagdossier:

  • de beknopte beschrijving van het project en het belang van het project waarvoor de subsidie wordt aangewend;
  • de urgentie en/of prioriteit van het project;
  • de kostenraming van de werken;
    In voorkomend geval moet bij deze kostenraming, een verklaring gevoegd worden waaruit blijkt dat de aanvrager voor dit project ook subsidieaanvragen bij andere overheidsinstellingen (overheid is: gemeenten, gemeentebedrijven, intercommunales of intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, provincies, polders en wateringen) heeft ingediend.
  • welke stappen reeds zijn ondernomen, in welke fase het project zich op het moment van de aanvraag bevindt en wat de verwachte data voor de verder realisatie zijn.