228295 | Prejudiciële vraag betr. art. 35quater, par. 1, 2° , van de wet 26.03.1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, ingevoegd bij het Vlaamse decreet van 21.12.1990 houdende begrotingstechnische bepalingen alsmede bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991

Grondwettelijk Hof, 21 februari 2008, arrest nr. 26/2008

B.S., 30.04.2008,1e uitgave, V.178, (131), 23417-23419

De beweerde discriminatie van art. 35quater, par. 1, 2°, van het decreet van 21.12.1990 houdende begrotingstechnische bepalingen alsmede bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991 vloeit niet rechtstreeks voort uit art. 35quater, par. 1, 2°, van de wet 26.03.1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, doch uit art. 1, 1°, c), van het BVR 30.01.1991. Het Hof mag niet, enkel omdat de correctiefactor ook wordt aangewend in een uitvoeringsbesluit dat een berekeningswijze van het gemiddelde dagdebiet vaststelt, de grondwettigheid van die correctiefactor te beoordelen in de context van de decretale bepaling waaraan hij is ontleend, zonder dat zijn uitspraak ook gevolgen zou sorteren die het doel van de prejudiciële vraagstelling te buiten zouden gaan (het beslechten van de betwisting nopens een element van de voormelde berekeningswijze).

Zoals onder meer blijkt uit de talrijke door de partijen aangevoerde feitelijke elementen, in de beoordeling waarvan zij tegenstrijdige standpunten innemen die niet door het Hof maar door het verwijzende rechtscollege dienen te worden beslecht, betreft de betwisting tussen de partijen voor het verwijzende rechtscollege uitsluitend de berekeningswijze van het gemiddelde dagdebiet dat de basis vormt voor de verschuldigde heffing. Die berekeningswijze vormt niet het onderwerp van de in het geding zijnde bepaling doch van art. 1, 1°, c), van het BVR 30.01.1991.

De bestaanbaarheid van de vastgestelde berekeningswijze van het gemiddelde dagdebiet die haar oorsprong vindt in een uitvoeringsbesluit, met de art. 10 en 11 van de Grondwet is een grondwettigheidsvraagstuk dat, op grond van art. 159 van de Grondwet, door het verwijzende rechtscollege dient te worden beslecht.

nvdr: De beslissing om aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen schort de procedure en de termijnen van procedure en verjaring op vanaf de datum van die beslissing tot de datum waarop het arrest van het Grondwettelijk Hof ter kennis wordt gebracht van het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld.