230699 | n.v. Tank Terminal / Vlaamse Gewest

R.v.St., 7 februari 2008, 7e K., nr. 179346

Twee categorieën van inrichtingen die in verschillende feitelijke omstandigheden verkeren (zij die in de riool lozen en zij die in oppervlaktewater lozen) worden ingevolge art. 5.2.2.9.3., par. 2, van Vlarem II toch aan dezelfde normen onderworpen. De bijlage 5.3.2. van Vlarem II en de oppervlaktewaterenwet maken een duidelijk onderscheid tussen lozing in oppervlaktewateren en lozing in de riolering. De reden waarom de twee verschillende categorieën van lozers toch op dezelfde manier worden behandeld is niet duidelijk. Art. 5.2.2.9.3., par. 2, van Vlarem II is dus strijdig met het gelijkheidsbeginsel. Deze bepaling moet buiten toepassing worden gelaten.

Uit art. 5.2.2.9.3., par. 2, van Vlarem II volgt dat alle exploitanten van inrichtingen voor het reinigen van recipiënten over een waterzuiveringsinstallatie moeten beschikken die toelaat om in alle omstandigheden te voldoen aan de normen voor het lozen in oppervlaktewater. Het Vlaamse Gewest voegt er in het bestreden besluit aan toe dat het bedrijf moet voldoen aan de sectorale voorwaarden voor de lozing van bedrijfsafvalwater in oppervlaktewater van de sector reinigen van wagens en binnenschepen welke vloeibare producten transporteren. Hoewel het bedrijf loost in riolering, moet zij volgens de stad op grond van art. 5.2.2.9.3., par. 2, van Vlarem II voldoen aan de normen voor lozing in oppervlaktewater.

Het Gewest maakt dus abstractie van de feitelijke toestand. De oppervlaktewaterenwet maakt een onderscheid tussen lozing in riolering en lozing in oppervlaktewater. Dit heeft zijn belang voor de heffing die moet worden betaald. Wie in de riolering loost, moet een hogere heffing moet betalen nu dat hij ook meer vervuilt. Het is niet logisch dat diegene die een hogere heffing betaalt, omdat hij aan soepelere lozingsnormen is onderworpen en mag lozen in riolering, toch moet voldoen aan de strengere normen voor het lozen in oppervlaktewater. De bijlage 5.3.2. van Vlarem II, die betrekking heeft op de sectorale lozingsvoorwaarden voor bedrijfsafvalwater maakt een onderscheid tussen lozing in oppervlaktewater en lozing in riolering.

Voor beide categorieën worden verschillende lozingsnormen opgelegd. Er bestaat dus een inconsistentie tussen art. 5.2.2.9.3., par. 2, van Vlarem II, dat alleen in het opleggen van normen voor oppervlaktewateren voorziet, en anderzijds punt 36 van de bijlage 5.3.2. van Vlarem II, dat een onderscheid maakt tussen lozing in oppervlaktewater en lozing in de riolering.

Het Gewest kon zich dan ook niet rechtsgeldig op voornoemde bepaling beroepen om lozingsvoorwaarden voor de lozing in oppervlaktewater op te leggen.