236199 | b.v.b.a. Guldendal / Stad Mechelen en de deputatie van de provincieraad van Antwerpen

R.v.St., 8 september 2008, 10e K., nr. 186089

Een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan kan slechts worden goedgekeurd als gebleken is dat het geen aanleiding geeft tot een schadelijk effect, dan wel, indien een dergelijk effect wel kan ontstaan, dat het zoveel mogelijk wordt beperkt, hersteld of, in gevallen van de vermindering van de infiltratie van hemelwater of de vermindering van ruimte voor het watersysteem, gecompenseerd.

Art. 8, par. 5, van het decreet 18.07.2003 betreffende het integraal waterbeleid voorziet in de mogelijkheid voor de Vlaamse regering om algemene richtlijnen uit te vaardigen en nadere regels vast te stellen, zowel in verband met de criteria om vast te stellen dat handelingen of activiteiten een schadelijk effect veroorzaken als in verband met het bepalen van de gepaste voorwaarden om het schadelijk effect te vermijden, te beperken, te herstellen of te compenseren. De Vlaamse regering wordt echter niet verplicht om terzake enig uitvoeringsbesluit te nemen. Ook bij gebreke van een uitvoeringsbesluit, zijn de betrokken overheden verplicht om de watertoets uit te voeren.

Art. 8, par. 2, tweede lid, van het decreet 18.07.2003 betreffende het integraal waterbeleid bepaalt dat de beslissing die de overheid neemt in het kader van par. 1 wordt gemotiveerd, waarbij in elk geval de doelstellingen en de beginselen van het integraal waterbeleid worden getoetst. Uit die bepaling volgt dat een beslissing waarbij een plan wordt aangenomen of goedgekeurd, een formele motivering moet bevatten waaruit blijkt dat de watertoets is uitgevoerd. Uit die motivering moet meer bepaald blijken, hetzij dat uit de ordening die met het plan wordt beoogd geen schadelijke effecten kunnen ontstaan, hetzij dat zulke effecten wel kunnen ontstaan, maar dat die door het opleggen van gepaste voorwaarden zoveel mogelijk worden beperkt of hersteld. Wat de uitvoering van de watertoets betreft, blijkt noch uit de bestreden besluiten noch uit het administratief dossier dat de bevoegde overheden zich ervan vergewist hebben dat uit het bestreden gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan geen schadelijk effect voor het milieu voortvloeit of dat, indien daaruit wel een dergelijk effect voortvloeit, dit zoveel mogelijk beperkt of hersteld wordt door maatregelen die in het plan worden vastgesteld.

De bestreden besluiten werden bijgevolg genomen met miskenning van de vereisten opgelegd bij art. 8, par. 1 en 2, van het decreet 18.07.2003 betreffende het integraal waterbeleid.