246875 | O.M. / D., V. en b.v.b.a. V.

Corr. Ieper, 9 november 2009, 9e K.

Hoewel de brandstofleverancier als zodanig niet verantwoordelijk is voor de degelijkheid van de brandstoftank van zijn klant, noch voor de conformiteit van die tank met de wettelijke en reglementaire bepalingen, kan het leveren van brandstof in een gebrekkige en niet-reglementaire tank, afhankelijk van de omstandigheden, worden beschouwd als het deponeren van een verontreinigende vloeistof op een plaats vanwaar ze door een natuurlijk verschijnsel in de openbare wateren of riolen kan terechtkomen, in de zin als bedoeld in art. 2 van de oppervlaktewaterenwet van 26.03.1971.

Dit zal met name het geval zijn wanneer, zoals te dezen, een professionele brandstofleverancier redelijkerwijze moest weten en voorzien dat de tank van zijn klant dermate gebrekkig is dat de mogelijkheid bestaat dat de geleverde brandstof zelfs zonder een menselijke tussenkomst, dat wil zeggen door de loutere werking van een natuurlijk verschijnsel, zou kunnen wegvloeien en aldus in de openbare wateren of riolen kan terechtkomen.

De regels van hoofdstuk 6.5 van Vlarem II zijn van toepassing op particuliere stookolietanks met een waterinhoud van minder dan 5000 liter, en richten zich uit hun aard tot diegenen die verantwoordelijk zijn voor het gebruik en het in werking houden van die stookolietanks, en aldus voor de 'opslag' van de brandstoffen. Zij richten zich dus niet tot de brandstofleverancier, aangezien de opslag van de brandstoffen in deze zaak niet gebeurde door de de brandstofleverancier, maar door de exploitant van de inrichting (de houder van de stookolietank) en deze laatste onvoldoende zorg heeft gedragen om milieuverontreiniging te voorkomen.