253618 | WEYN André / Stad Sint-Niklaas en Vlaamse Gewest

R.v.St., 10 september 2010, 10e K., nr. 207291

Een omwonende acht art. 5, 6/, c DIWB geschonden doordat het betrokken overstromingsgebied gevoelig vermindert (door het verlenen van de stedenbouwkundige vergunning tot het bouwen van een saunacenter). De schending van deze bepaling wordt echter aangenomen. Vooreerst dient te worden vastgesteld dat art. 5, 6/ c) geenszins bepaalt dat de ruimte voor het water of overstromingsgebieden niet mogen worden ingekrompen. Het betreft niet meer dan een doelstelling die moet worden beoogd en waarbij 'zo veel mogelijk' ruimte voor het water wordt gevrijwaard. Dit betekent niet dat activiteiten of bouwwerken die ruimte van het water innnemen ipso facto verboden zouden zijn.

Voorts heeft de term 'overstromingsgebied' in art. 5, 6/, c) een specifieke betekenis die is omschreven in art. 1, 44/ DIWB, met name: 'door bandijken, binnendijken, valleiranden of op andere wijze begrensd gebied dat op regelmatige tijdstippen al dan niet op gecontroleerde wijze overstroomt of kan overstromen en dat als dusdanig een waterbergende functie vervult of kan vervullen'. Uit niets blijkt dat het in casu om een begrensd gebied zou gaan zoals bedoeld in art. 1, 44/ DIWB en de omwonende toont dit ook niet aan. Ook dienen de ophogingswerken die in het verleden op een deel van het terrein zouden hebben plaatsgevonden thans niet het voorwerp uit te maken van een watertoets.

Wat de aangevoerde schending van art. 6, 1/ DIWB betreft, dient te worden gesteld dat het standstillbeginsel niet betekent dat er geen wijzigingen aan het betrokken gebied zouden mogen plaatsvinden, bijvoorbeeld door bouwwerken. De omwonende toont niet aan dat de toestand in het gebied dermate verslechtert dat het standstillbeginsel zou kunnen zijn geschonden. Er blijken immers maatregelen en voorzieningen te zijn genomen om tegemoet te komen aan problemen inzake wateroverlast. Een schending van art. 6, 1/ DIWB is dan ook niet aangetoond.

Art. 6, 10/ DIWB tenslotte bepaalt dat de overheid rekening moet houden met het beginsel dat het watersysteem een van de ordenende principes is in de ruimtelijke ordening. Uit de hiervoor vermelde gegevens van de zaak blijkt dat de overheid in casu wel rekening heeft gehouden met het watersysteem, wat blijkt uit de watertoets die zij heeft uitgevoerd. Rekening houden met het watersysteem als ordenend principe impliceert niet dat de overheid geen vergunningen zou mogen afleveren die een impact hebben op dit watersysteem.