264881 | 23.03.2012 Dec. wijz. wet 05.07.1956 betr. de wateringen, van de wet 03.06.1957 betr. de polders, van de wet 28.12.1967 betr. de onbevaarbare waterlopen, wat betreft de integratie van toestemmingen en machtigingen in de stedenbouwkundige vergunningverlening en wijz. dec. 08.05.2009 houdende vaststelling en realisatie van de rooilijnen, wat betreft de regeling betreffende de achteruitbouwstrook en de nog niet gerealiseerde rooilijn

Vlaams Min. van Mobiliteit en Openbare Werken,CREVITS Hilde

B.S., 20.04.2012,2e uitgave, V.182, (139), 24531-24532

Dit decreet heeft tot doel sectorale machtigingen en toestemmingen te integreren in de stedenbouwkundige vergunning. Het betreft de integratie van machtigingen voor werken met betrekking tot onbevaarbare waterlopen en voor afwijkingen ten opzichte van de achteruitbouwstrook door de wegbeheerder. Tegelijk met deze vereenvoudiging worden tevens een aantal correcties doorgevoerd.

In de wet 05.07.1956 betreffende de wateringen en in de wet 03.06.1957 betreffende de polders, worden de art. 81, 82, 83 en 84 opgeheven. Ze voorzagen dat de wateringen en de polders over vergunningen van de Koning (thans Vlaamse Regering) of de deputatie moesten beschikken vooraleer bepaalde werken aan waterlopen uit te voeren. Deze artikelen waren overbodig. Ingrijpende werken zijn stedenbouwkundig vergunningsplichtig en worden op die wijze op hun wenselijkheid getoetst. Voor de niet stedenbouwkundig vergunningsplichtige werken is het niet nodig om toezicht uit te oefenen op de wateringen.

Ten gevolge van de opheffing van art. 81 tot 84 van beide wetten, wordt art. 85 van deze wetten aangepast en wordt art. 88 opgeheven.

Met art. 12 en 14 van de wet 28.12.1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen wordt de machtiging in de stedenbouwkundige vergunning geïntegreerd via het advies van de minister (Vlaamse Milieumaatschappij) voor de waterlopen de eerste categorie of de deputatie voor de waterlopen van de tweede en derde categorie. Deze bepalingen worden gewijzigd om te verduidelijken dat het gunstig advies uitgebracht door de bevoegde instantie (de minister of de deputatie) in het kader van de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning, geldt als machtiging.

Als de machtiging, vermeld in art. 12 en 14 van de wet 28.12.1967 geïntegreerd wordt in de stedenbouwkundige vergunning, dan gelden uiteraard de verplichtingen van de wetgeving ruimtelijke ordening inzake openbaar onderzoek en beroepsmogelijkheden. Art. 19 van de wet wordt bijgevolg gewijzigd.

In art. 23, par. 1, van deze wet wordt de machtiging in de stedenbouwkundige vergunning geïntegreerd via het advies van de deputatie voor de niet-geklasseerde waterlopen.

In het nieuwe art. 2/1 van het decreet 08.05.2009 houdende vaststelling en realisatie van de rooilijnen (het Rooilijnendecreet), wordt het begrip 'achteruitbouwstrook' gehanteerd. Het rooilijnplan kan een achteruitbouwstrook vastleggen. De Vlaamse Regering krijgt de machtiging om regels rond de achteruitbouwstrook aan gewestwegen vast te leggen.
In art. 16 van dit decreet dat een bouwverbod en afwijkingen daarvan voorziet, worden een aantal actualiseringen en verduidelijkingen aangebracht. De belangrijkste wijziging over de integratie en vereenvoudiging van wetgeving strekt ertoe om afwijkingen van de achteruitbouwstrook te integreren in de stedenbouwkundige vergunning via het advies van de wegbeheerder. Dat gebeurde nu eigenlijk al in de praktijk (aangezien niemand een aparte toestemming tot afwijking aanvroeg), maar het was niet formeel geregeld. Een afzonderlijke machtiging van de wegbeheerder is alleen nog nodig voor werken en handelingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning vereist is.
Daarnaast worden met de wijzigingen een aantal interpretatieproblemen opgelost waarover de administratie herhaaldelijk door de gemeenten bevraagd werd:

  • er wordt verduidelijkt dat art. 16 van toepassing is op de rooilijnen die nog gerealiseerd moeten worden.
  • de specifieke uitzonderingen gelden zowel voor het bouwverbod bij rooilijnen als bij achteruitbouwstroken. Daarnaast wordt er in twee afzonderlijke algemene uitzonderingen voorzien: voor de rooilijn als men de rooilijn niet binnen vijf jaar zal realiseren (met afstand van meerwaarde), en voor de achteruitbouwstrook na gunstig advies van de wegbeheerder.
  • een stedenbouwkundige vergunning kan verleend worden voor de uitzondering voor gevelisolatie als uit het advies van de wegbeheerder blijkt dat de rooilijn niet binnen vijf jaar na de afgifte van de stedenbouwkundige vergunning zal worden gerealiseerd. Als er na het verstrijken van die termijn wordt onteigend, wordt bij het bepalen van de vergoeding geen rekening gehouden met de waardevermeerdering die uit de vergunde handelingen voortvloeit. Indien het aanbrengen van gevelisolatie de overschrijding betreft van een rooilijn gevormd door de huidige grens tussen de openbare weg en de aangelande eigendommen, dan kan, na gunstig advies van de wegbeheerder, gevelisolatie ook tot 14 centimeter toegestaan worden.