280734 | DIRCKX Erwin en crts / Stad Maaseik

R.v.St., 2 oktober 2013, 10e K., nr. 224937

Een ontwikkelaar vraagt aan het college van burgemeester en schepenen een verkavelingsvergunning met de aanleg van een weg. Aan de verplichting om ervoor te zorgen dat geen schadelijk effect ontstaat, minstens dat effect wordt beperkt, hersteld of gecompenseerd, is naar de mening van de Vlaamse minister bevoegd voor ruimtelijke ordening voldaan met betrekking tot het BPA. De overwegingen daarbij wijzen uit dat wel degelijk bij het tot stand komen van het BPA de watertoets is uitgevoerd, art. 8, par. 1, 1e lid van het decreet 18.07.2003 betreffende het integraal waterbeleid.

Van hun kant beperken de omwonenden zich ertoe louter te beweren, zonder meer, dat door het BPA de bewoning de overhand dreigt te krijgen op de natuurlijke elementen, dat de eigenheid van de omgeving totaal verloren gaat en dat de woninggroei in het buitengebied totaal niet in verhouding staat tot de woninggroei in het stedelijk gebied. Zij kunnen er zodoende geenszins van overtuigen dat het BPA inderdaad strijdig is met het richtinggevend gedeelte van het RSV en dat de afweging die aan het BPA ten grondslag ligt op onjuiste gegevens berust of de grenzen van de redelijkheid te buiten gaat.

nvdr: Deze zaak werd eerder reeds behandeld door de Raad van State in haar arrest nr. 217305 van 18.01.2012.
De huidige uitspraak vormt een tussenarrest waarna de Raad van State de debatten heropent. Het vervolg van de zaak wordt uitgesproken door de Raad van State in haar arrest nr. 226504 van 21.02.2014.