294902 | 18.12.2015 Dec. houdende diverse bepalingen inzake omgeving, natuur en landbouw en energie

Vicemin.-President van de Vlaamse Regering en Vlaams Min. van Begroting, Financiën en Energie,TURTELBOOM Annemie

B.S., 29.12.2015, V.185, (340), 80028-80050

In dit verzameldecreet inzake omgeving, natuur, landbouw en energie komen veel verschillende thema's aan bod, zoals de omgevingsvergunning en de handhaving ervan, de milieuvergunning, bodemsanering en waterbeleid.

Inhoudstafel:

  • Hfst. 1. – Algemene bepaling
  • Hfst. 2. – Wet betreffende de economische reglementering van de prijzen:
    De nieuwe regelgeving voor prijsregulering voor water bestemd voor menselijk aanwending die ingevoerd wordt door hoofdstuk 15, komt in de plaats van de prijsregulering zoals geregeld in de wet 22.01.1945 betreffende de economische reglementering en de prijzen en het MB 20.04.1993 houdende bijzondere bepalingen inzake prijzen. In deze oude regelgeving worden echter nog andere zaken geregeld, zoals de strafbaarstelling van overtredingen van de maximumprijzen. Vandaar dat het opheffen van deze regelgeving momenteel niet mogelijk is. Wel moet duidelijk worden aangegeven dat het bepalen van maximumprijzen voor water bestemd voor menselijke aanwending wordt geregeld in art. 12bis van het decreet 24.05.2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending. Art. 2 van deze wet 22.01.1945 wordt gewijzigd.
  • Hfst. 3. – Wet op de riviervisserij:
    Enigszins ongelukkig is met een vrij recente decreetswijziging de bijzondere opzetvereiste dat de lozer de intentie moet hebben om de vis te bedwelmen of te vernielen, verdwenen. Met deze decreetswijziging wordt de bijzondere opzetvereiste terug ingevoerd in de wet op de riviervisserij. Tegelijk is van de gelegenheid gebruik gemaakt om het woord ’vernielen’ te vervangen door ‘doden’. Art. 22 van de wet 01.07.1954 wordt gewijzigd.
  • Hfst. 4. – Wet betreffende de wateringen:
    De bekkenbeheerplannen werden als planfiguren uit het integraal waterbeleid opgeheven bij decreet 19.07.2013 en bij hetzelfde decreet vervangen door de bekkenspecifieke delen van stroomgebiedbeheerplannen. Het is niet de bedoeling dat de betrokken projecten worden stopgezet eenmaal de bekkenspecifieke delen van de stroomgebiedbeheerplannen de bekkenbeheerplannen vervangen. Bovendien zijn er subsidies verbonden aan het uitvoeren van acties uit de bekkenbeheerplannen, waarvan het niet de bedoeling is dat deze in gedrang worden gebracht. Art. 1 van de wet 05.07.1956 wordt gewijzigd.
  • Hfst. 5. – Wet betreffende de polders:
    Art. 1 van de wet 03.06.1957 wordt gewijzigd omwille van dezelfde redenering als hierboven in hoofdstuk 4.
  • Hfst. 6. – Veldwetboek:
    Voor ’bosaanplanting’ in het agrarisch gebied moet de landbouwer volgens het Veldwetboek een vergunning vragen aan het college van burgemeester en schepenen. Men kan aannemen dat boslandbouwsystemen geen ’bosaanplanting’ vormen in de zin van art. 35bis, par. 5, eerste lid, van het Veldwetboek en er dus geen vergunning moet worden aangevraagd. Voor de rechtszekerheid wordt dit uitdrukkelijk vermeld door een derde lid toe te voegen.
  • Hfst. 7. – Wet op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging:
    De wijziging die ingevoerd wordt in art. 35bis, par. 5, van de wet 26.03.1971 verduidelijkt dat de heffingsvrijstelling geldt voor alle bodemsaneringsprojecten die conform zijn verklaard ongeacht of dit op basis van het oude decreet van de bodemsanering van 1995 of van het nieuwe decreet van 2006 is gebeurd. Aangezien er nog bodemsaneringsprojecten lopen die conform zijn verklaard vóór de inwerkingtreding van het nieuwe decreet van 2006 is het noodzakelijk om beide decretale grondslagen voor het conform verklaren van bodemsaneringsprojecten te vermelden in dit artikel.
  • Hfst. 8. – Wet houdende bijzondere maatregelen inzake ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet bij de uitvoering van grote infrastructuurwerken:
    Dit hoofdstuk wijzigt art. 3, tweede lid, van de wet 12.07.1976. Door deze wijziging wordt het ruilcomité uitgebreid met twee leden waarvan de ene wordt voorgedragen door de Vlaamse minister, bevoegd voor het onroerend erfgoed en de andere door de Vlaamse minister, bevoegd voor het natuurbehoud.
  • Hfst. 9. – Decreet houdende maatregelen inzake grondwaterbeheer:
    Dit hoofdstuk wijzigt art. 28ter van het decreet 24.01.1984 om dezelfde reden als in hoofdstuk 7. Verder wordt art. 28quater gewijzigd om een aantal onduidelijkheden recht te zetten. Daarnaast wordt art. 28quater tekstueel eenvormig gemaakt. Om betwistingen over de pompcapaciteit te voorkomen wordt tenslotte ook duidelijk gesteld dat voor niet vergunde grondwaterwinningen zonder debietmeting de hoeveelheid grondwater op basis van de som van de maximale nominale capaciteit wordt bepaald.
  • Hfst. 10. – Decreet betreffende de milieuvergunning:
    De vergunningstermijn van een milieuvergunning verleend voor de exploitatie van een inrichting met een stikstofdepositie, die verstrijkt voor 31.12.2018, wordt in afwijking van par. 1 en art. 18, par. 2, 43 en 44, verlengd tot uiterlijk 31.12.2018, als voldaan wordt aan de bepalingen, vermeld in par. 3, tenzij deze laatste datum wordt vervangen door een latere datum die wordt vastgesteld door de Vlaamse Regering. Art. 45ter van het decreet 28.06.1985 wordt op verschillende plaatsen gewijzigd.
  • Hfst. 11. – Decreet houdende de oprichting van de Vlaamse Landmaatschappij:
    Dit hoofdstuk heft art. 18, par. 1, derde lid van het decreet 21.12.1988 op dat de precisering van de aanvangstermijn van het mandaat van de leden van de raad van bestuur bij de algehele vernieuwing ervan bevat. Het heft eveneens art. 18, par. 4, van het decreet 21.12.1988 op dat de onverenigbaarheden van de regeringsafgevaardigden bij de Vlaamse Landmaatschappij bevat.
  • Hfst. 12. – Bosdecreet:
    Dit hoofdstuk maakt duidelijk dat er, naast het bestaande regime van het ontbossingsverbod met voorafgaande ontheffing, specifiek voor de zogenoemde toplaag een nieuw beschermingsregime komt. In het Bosdecreet wordt een art. 90ter toegevoegd dat de Vlaamse Regering toelaat een kaart vast te stellen met meest kwetsbare waardevolle bossen.
  • Hfst. 13. – Jachtdecreet:
    Dit hoofdstuk schrapt de formele verwijzing naar de arrondissementscommissaris in het Jachtdecreet. Er wordt ook bepaald dat personen die aan bestrijding wensen te doen door middel van vuurwapens effectief in het bezit moeten zijn van een jachtverlof. Verder wordt ook komaf gemakt met de oude en voorbijgestreefde verplichting dat wild gedood in het kader van bestrijding moet worden aangeboden aan het lokale OCMW. Het vervoers- en verhandelverbod wordt eenvoudig uitgebreid naar alle wild. Daarnaast wordt opgesomd in welke gevallen het vervoers- en verhandelverbod niet geldt. Tot slot wordt de passage opgeheven die bepaalt dat een bijzondere wachter die toezicht houdt (op de toepassing van de jachtregelgeving), en die zich voor het uitoefenen van zijn toezichthoudende taak laat bijstaan door één of twee collega bijzondere wachters uit omliggende gebieden, desgevallend moet worden begeleid door de jachtrechthouder van het betrokken terrein om belangenvermenging en gebrek aan neutraliteit te vermijden. De art. 7, 22, 23, 26 en 31 van het decreet 24.07.1991 worden gewijzigd.